dichten

Hoe de mensen er toe kwamen om te dichten. Beknopte samenvatting.

Wel, het begon met kou. Heel lang geleden.
Mensen woonden nog hoog. En droog maar ook in de trek.
Tja, je weet hoe dat gaat in een boom, het waaide ook toen al precies langs die tak  waarop jij sliep. Bladeren hielpen niet.
Mannen beraadslaagden en besloten  naar de begane grond te verhuizen.
Ieder droeg de eigen spullen, een tamme pterodactylus of een ijspapiertje (Back to the future maakte wel eens een foutje) en kroop achter de man aan van wie ze aannamen dat het de vader was.
Voorzichtig sluipend, bedacht op narigheid vonden ze een veilige grot zonder verborgen beesten en nestelden zich daar. Ze maakten zich de beste plekken eigen  met meegenomen gras en de veren van de pterodactylus die er niets mee leed want bij bestond eigenlijk nog niet. Ze verzamelden voorraden bessen en aten dooie vleermuizen, het leven was niet slecht. Van virussen hadden ze geen weet.
Maar toen.
De winter begon en een ijskoude wind woei de grot in. Pegels hingen aan de neuzen, het gras – inmiddels gedroogd- dwarrelde rondom de slapenden die wakker werden van het gekriebel.
Wederom beraadslaagden de mannen. Mopperend. Alweer die kille trek, verdomme!
Tot een van het het licht zag, hij wees er naar en riep: ‘Dáár! Daar komt de kou vandaan!’
Allen keken en zagen het: een lichtende opening waardoor een ijzige koude binnen stroomde en  hen bijna vermorzelde.
Gesteund door de vorderende tijd die hun hersenen deed groeien begrepen ze het.
Het gat moest gedicht.
==
En zo is het gekomen.
=

nacht·verhaaltje

Nacht (herzien)

Bangelijk luister ik naar de wind,  in stormen als deze kan van alles gebeuren. Niet hier, mompel ik mezelf gerust, die ritsel is een loshangende tak, het schijnsel een manestraal en…..
Oh ja?
Verstijfd staar ik in onbekende ogen.
‘Had je niet gedacht hè?
‘Ga weg,’ piep ik.
Zijn adem blaast vreemde geuren en beroert  mijn arm. Panisch stomp ik in het wilde weg, en weer.
Hij verdwijnt, ik blijf achter, bevend.

Het tocht, stond het raam
open?
Bibberig sta ik op en sluit het, veeg wat zand weg… zand?
Dan val ik flauw.
=

vervolgverhaal

Mammoet 2

Sensatie!
De media schreeuwden het uit:
‘ONLANGS GEVONDEN MAMMOET VERTOONT BEWEGING!’
Een unicum.
Griezelspanning beving de mensen, een reuzenolifant zo groot als een huis!
Regeringen vergaderden, geleerden claimden zeggenschap, de mammoet was van iedereen.

Van het sterkste metaal werd een hek rondom hem geplaatst.
Nu was het zaak het dier langzamerhand bij te brengen. Na ontelbare buisjes bloed, speeksel en andere zaken te hebben afgenomen brachten ze hem beetje voor beetje bij kennis.
De spanning steeg.
Tot hij op zeker moment zijn kop oprichtte en zich omrolde tot hij half overeind hing.
Nu pas zag men de werkelijk omvang, vermoedde de kracht.
Met angstig ontzag staarde men naar de enorme hoeveelheid mammoet maar na het eten van wat gras liet hij zich weer zakken en sliep in.
Opluchting alom, het bleek een lobbes. Zoiets als een oude circusolifant.
Nu hoefde alleen de oppas te worden geregeld.
Men zette een paar gewapende mannen neer, alles was onder contrôle.

De nacht viel, de mammoet sliep, de bewakers verveelden zich. Een van hen stelde een grap voor.
‘Zullen we hem eens kietelen? Dat vinden olifanten leuk, doen we in Artis ook altijd.’
Ze vonden ergens een lange tak en reikten door de tralies.De mammoet sloeg met zijn slurf. Nogmaals reikte de tak.
Wat huisde er in mammoets geheugen? Een wazig beeld van vijandige wezens die takken gooiden was genoeg om de herinnering te verhelderen.
Brullend kwam hij overeind en stapte naar de hekken waar de grappenmakers verlamd van schrik stonden.
Hij sloeg zijn slurf om de takkenman en trok hem de kooi in, en passant een paar tralies ombuigend. Hij gooide de man op de grond en trapte.
Iemand drukte op knoppen. Een professor gilde: ‘dood hem niet, houd hem in leven…’
Voor niets.
Zware knallen weerklonken.
En zo stierf het mammoetdom alsnog uit,
600.000 jaar later.
==