Over selfies

Een redelijk fotootje, dat moest er komen.
Ik zette mijn zondagse gezicht op en nam ettelijke selfies, met cameraatje en tablet.
Elk resultaat was om te huilen dus begon ik opnieuw.
Controleerde of de make up voldoende was weggewassen, haar niet te plat, vriendelijker kijken.
Uiteindelijk had ik een uitgesproken jankgezicht met zenuwvlekken en stopte met de selfie-sessie.

Waarom ik zo nodig op de foto moet?
Nee, NIET om een vriend/man/vrijer te strikken al denk ik daar wel over na.
Iets semi-officieels.

Voorheen kon het me niets schelen hoe ik er uitzag op rijbewijs e.d. maar daar heb ik  genoeg van, van die rare afbeeldingen die overal op lijken behalve op mij. Ik weet nog dat ik rond mijn veerstigste een pasfoto liet maken en echtgenoot vroeg: hoe vind je dat mens? Hij hield met moeite zijn lachen in. Ik wrokte wraakzuchtig.
Tien jaar later had ik een nieuwe foto en vroeg opnieuw: hoe vind je haar?
Hij floot. Bewonderend. (hij had geluk, achter mijn rug hield ik een stiletto klaar).
Maar goed, mijn selfie dus.
Het moet een goeie worden, éénmaal wil ik vlammen al is het als zeventiger.
Het zal vanavond niet meer lukken, alle apparaten zijn leeg en er is nog maar 1 oplader operationeel.
Twee andere gaven de geest.
Die zijn zich dood geschrokken.
==

Advertenties

Beer op vrijersvoeten. Verhaaltje.

Er viel sneeuw.
Heel weinig.
Er liep een donkerbruin berenjong door de straat, hij maakte sprongetjes om de vlokken te vangen. Het haalde niet veel uit, slechts enkele waren zichtbaar op zijn pels.
Na een half uur gaf hij het op en zette zich op een muurtje.
Een van de buurkatten kwam bij hem zitten.
‘Wat is er aan de hand?’ begon hij nieuwsgierig. ‘Zit je bij een ijsrevue?’
‘Nee hoor, ik probeer wit te worden. Ik wil een ijsbeer zijn.’
Bevreemd staarde de kat hem aan.
‘Een ijsbeer? Hier? Ga naar het noorden waar de sneeuw is.’
De beer rilde, ‘daar is het zo koud.’
‘Maar dat hoort zo voor ijsberen, wist je dat niet?’
‘Jawel maar ik probeer het op deze manier. Dit is nog net draaglijk.’ Hij zag de kat fronsen, ‘denk je dat het lukt?’ vroeg hij hoopvol.
De kat zag dat het nog een heel jong jong was..
‘Waarom wil je het?’ vroeg hij.
‘Eh, ik eh, mijn vriendin, ze is verliefd op Knut en treurt nog steeds om zijn dood en nu dacht ik dat als ik wit werd en zij op mij ….’ verlegen viel hij stil.
Tjeem, dacht de kat, zwaar onder de indruk. ‘Dit is de ware liefde,’ sprak hij plechtig terwijl hij de berejongen over de rug streek. ‘Maar zoiets werkt echt niet. Weet je vriendin hier van?’
‘Nee, ik had het als verrassing bedoeld. Tja, als het niet kan ga ik maar naar huis.’
‘Komkom,’ antwoordde de kat, ‘niet zo droevig. Weet je wat? Ik leen je een witte bontjas en die trek je aan bij thuiskomst. Dan heb je nog altijd de keus: wil ze je in’t wit of in je eigen kleur. Nou? Strak plan?’
De beer sprong op. ‘Ik vind je geweldig, waar heb je de jas?’ want nu kreeg hij haast.
De kat haalde vrouwtjes’  mantel van de kapstok, ‘alsjeblieft,’  zei hij, ‘past ‘ie? Mooi. Stuur hem later terug en graag met een foto van je vriendin. Afgesproken?’
Jubelend nam het jong de jas aan. Hij  omarmde de kat en likte blij, beloofde foto’s en bezoekjes en vakanties  en doopnamen en vertrok, zwaaiend naar de schaarse sneeuw.
De kat trok zich spinnend terug achter het raam,  verwarmd door zijn goede daad.  Zo niet het vrouwtje dat huilend de politie melding maakte van diefstal, ‘hij was pas nieuw’,  snikte ze.
Ach, nou ja.

Enige tijd later verscheen een  lang bericht op het tablet van de kat.
‘Je weet niet hoe gelukkig we zijn, vriendin is nu model….’  De bijlage bevatte tientallen foto’s van een knappe berenmeid in de witte jas, van links, van rechts, met wapperende wimpers en halfopen sexy bek, met en zonder oorbellen, blinkende tanden, knipogend.  Op de achtergrond steevast de vrijer, verlegen maar trots haar tas dragend. ‘ps we zijn zwanger!!!’
Over teruggave van de jas werd niet gerept.
‘Ach,’ dacht de kat grootmoedig, ‘ze zijn vast gelukkig.’