Ieders god

De kerkdeur staat open, er klinkt een orgel, voetstappen en gefluister.
Het wordt het een dodendienst, de klokken luiden.
Een buurtgenoot ziet me, knikt en loopt haastig naar binnen, bekend met mijn scepsis.
Wat, vraag ik me af, moet de dode hier mee? Diens geest is toch al vervlogen.
En de achterblijvende?
Men zegt dat vertrouwde ceremonies troostend werken, een van de sterkste speerpunten van het geloof.
Ieder zijn meug, mij hielp het geen bal en een paar andere mensen die ik ken ook niet.
Ze werden hoogstens een paar uur afgeleid dan wel misleid.
We zijn dan ook niet gelovig.

Een nieuwe god bedenken, dat lijkt me wel wat. Een androgyn figuur, een blanco model dat tevens alle uiterlijkheden aanneemt die ieder afzonderlijk mens wil zien in een god.   Ik vind geen passend exemplaar.
Trouwens, welke religieuze diensten zou ik erbij moeten bedenken, alle gebaren bestaan al.
En dan nog, de een bidt met liefde voor een grootmoederlijke, de ander strekt zijn armen uit naar een sexy bloot beeld. Waarschijnlijk zou mijn buurjongetje god zien als zijn lievelingskonijn en aan wie zouden nonnen hun ziel verkopen?
Moeilijk uit te werken.
Hoogstens als virtuele religie.
Mijn verzin-zin ebt weg, dit is er immers al lang?
Vroeger noemde men het duivelswerk of gevaarlijke fantasieën, pornografie, afgoderij maar nieuw is het niet.


In de supermarkt bepaal ik me tot de boodschappenlijst.
Ik loop langs de bakkersafdeling.
En zie..
… oh  mijn god, die mokkaschnitt..
==

Blabla-smiespelsmiespel

‘…wij wisten precies bij wie het huishoudgeld op was, dan werd het de goedkoopste worst…..’
De spreekster werkte in een mij bekende supermarkt op de vleeswarenafdeling en vertelde dit in vertrouwen. Alsof ik dat wilde weten.
‘Ken je die en die nog? Niemand mag weten waar hij woont maar nou moest ik een pakje  op zijn naam bezorgen  in de straat van…’
De verteller was vakantiehulp, ergens in de omgeving.
‘Héééé, hallo, geef je een rondje? Kan er nou wel van af hè. Wanneer ga je rentenieren hahaha..’
De grappenmaker werkte bij een lokale bank en wist iets van rentebijschrijvingen. Pas na een boze blik werd hij stil.
Zomaar een losse greep uit een vat vol geklets. Niet verzonnen, we hoorden ze zelf, een paar jaar geleden.
Toen ik vanmiddag iets vernam over iemand die zijn salaris en rekeningen niet bij een lokale bank wil onderbrengen en daarom wordt uitgelachen, dacht ik hier aan terug.
Zo gek vind ik zijn wantrouwen niet. Iedereen kent elkaar, menig bankemployee is een dorpsgenoot. Loslippigheid komt voor.
De privacy bij banken is verbeterd,  ik hoop dat de monden intussen ook op slot zijn.

Internet en overheid hebben we allang niet meer in de hand maar klanten-privacy in-het-klein kunnen we misschien nog enigszins bewaken.
Onlogisch, maar roddel in buurtwinkels en -instellingen voelt erger dan een verre afluistersatelliet.
==

Toen een huisvrouw het nog druk had

‘Opzijopzijopzij…’
Dit wordt niet hardop gezegd maar de boodschap komt over: zij heeft haast.
Zodra ze de supermarktdeur binnenvalt vliegen aanwezige klanten naar de zijpaden.
Sommige nemen geen risico en sluiten zich aan bij de manager die zich verschanst achter de breedste van de vakkenvullers.
Men kent haar.
In haar huis gaat het op eendere wijze.
Als een wervelstorm sleurt ze de gezinsleden uit bed, drukt hen het ontbijt door de keel en duwt ze de deur uit.
Opruimende werpt ze af en toe een hap brood naar binnen en voert kat, cavia, parkiet en hond.
Ziezo, denkt ze na het volgooien van de vaatwasser, dat is gebeurd. Wat moet er nog meer gebeuren; stofzuigen, dat is wel nodig of neem ik eerst de ramen? En dat boek moet ook nog uit, als ik het op de aanrecht leg kan ik tegelijkertijd lezen en de aardappelen schillen.
Het lukt.  Het kost wat pleisters maar het gaat heel goed; weet je wat, denkt ze, ik snij meteen de andijvie. Het grote mes zoeken, de plank, de krop er op. Onderwijl leest ze met één oog  verder.
Oei, au…  trillend reikt ze naar de handdoek om nieuw bloed te stelpen. Verdorie, was daar bijna het boek bevlekt,  het is nog wel van de bibliotheek.
Voorzichtig kijkt ze onder de handdoek. En schrikt van de jaap in haar linkerduim, nog net niet tot het bot.
Vlug onder koud water,  tjess, pijnlijk.
Met veel gehannes maakt ze een noodverband van zakdoeken en pleisters.
Hè, ze is er misselijk van, draaierig hangt ze voorover. De kat kijkt stoicijns naar haar, de hond jankt meelevend maar niet verbaasd.
Haar verstand krijgt de overhand. Eindelijk.
Ze kruipt op de bank en rust, al lezende,  tot het kloppen in de duim afneemt.
Dan gaat ze rechtop zitten, gaapt en rekt, controleert het noodverband en ijlt  naar de stofzuiger, pakt onderweg de plumeau,  neemt de rinkelende telefoon op……

Dit stukje is ongeveer acht jaar oud, door een haastklusje vanmorgen dacht ik eraan terug. Het was niet eens zo erg overdreven.

Warm eten

Rond vijf uur liep ik door de straat.
Etenstijd, een feestje van geuren.
Bradend vlees, ergens stond soep op het menu, verderop nasi of bami en ik denk snert te hebben geroken. Niet alles kon ik thuis brengen, het was allemaal verleidelijk.
Het maakte hongerig.
Ik dacht aan het broodje dat me wachtte. Is ook smakelijk maar met een hoofd vol lekkernijen kwam het me armzalig voor.
Watertandend, kwijlend bijna hield ik mezelf voor: waarom zou ik niet nog eens koken? Wat was er mis met tweemaal op een dag warm eten, het lijkt me juist gezond. Een schaal verse groente en aardappelen met donkere jus, misschien wat extra’s erbij, rijst met kip? Soep?
Zo liep ik met mijn gedachten aan eten te denken dat ik ineens in de supermarkt stond. Ik zweer je, het was niet gepland.
Toen kwam ik tot bezinning en kocht een krop sla. Voor morgen.


Winkeltijden

Hoelang is Appie zaterdag open? Tot 9 uur? Ik hoop dat ik het haal…’ vroeg een jonge vriendin.
Dit verbaasde me, ik vind de openingstijden van de supermarkten juist heel comfortabel, elke dag kun je er terecht op gunstige uren.
Vergeleken met  de jaren ’70 en ’80 is dit een groot gemak.
Winkeltijden waren toen van 8.30 – 12 en van 13 – 18, maandagochtend en zondag gesloten, zaterdagmiddag om 16 of 17uur.
We hadden er genoeg aan maar je kon weleens omhoog zitten; koffie op, melk en zo. Gelukkig waren er nog kleinere kruideniers waar je achterom kon. Ze mochten het niet maar hielpen je wel.
Achteraf bedenk ik dat er ook een groot voordeel was, letterlijk:
met zo weinig winkeltijd kocht je niet gauw teveel. Ik vraag me af waarom we geen miljonair zijn geworden.

Verliefde buurman l

Hij blijft me volgen

Daar stonden we dan, hij met een innemend lachje, ik geïrriteerd door datzelfde lachje.
‘Sorry Frank, ik heb geen tijd. Geen interesse ook.’  Ik probeerde om hem heen te lopen waarop hij  pal voor het karretje ging staan.
‘Kom op, verdriet duurt niet eeuwig, je kunt toch wel éven naar me luisteren? Ik weet zeker dat we….’
‘Nee. Ga alsjeblieft opzij!’
‘…. een goed stel vormen, jij en ik.’ Hij praatte gewoon door.

Frank was een vroegere buurman die me al jaren aanbad en dat zo overduidelijk liet merken dat we  afwisselend om hem lachten en ons dood ergerden.
Na een verhuizing zagen we hem niet vaak meer; helaas, zodra hij ontdekte dat we uit elkaar  waren en ik op mezelf woonde zocht hij me en trof me meestal in de supermarkt, wetende dat ik vaak boodschappen doe. Drie kinderen eten nogal wat.
Hij gedroeg zich fatsoenlijk zij het volhardend in zijn verliefdheid die, zo bleek, onverminderd sterk was. Hij probeerde me bij elke ontmoeting over te halen een afspraak met hem te maken en drong drammerig aan.
Deze keer was hij erger dan ooit.

©Bertie
wordt vervolgd