Ik tuin nog steeds…


….en fabriceer een paar groene muren in de druivenklimop.
De een is half af, aan de andere kant moet ik nog beginnen.
Een dak zit er vanzelf op, vloer ligt er ook.
Het wordt een eenpersoons hutje.
Wat ik daar ga doen?
Eh, niks. Zitten.
Brevieren als ik een brevier had. Fantaseren.
Misschien een boek lezen of met tabletje spelen.
Breien, lijkt me ook wel wat, er hangen genoeg slierten.
Muziek luisteren en wegdromen, nostalgische briesjes zuchtend,  wuivende muren die me koelte toewuiven. Ik houd het in gedachten.

In werkelijkheid komt er niets van terecht, druivenplanten zijn berucht om hun bewoners:  Orenkruipers
Je begrijpt dat het niet lekker zit met die wetenschap.
Je wilt niet breien met een beest tussen twee steken en brevieren wordt een gebed vol vloekwoorden.
Waarom dan dat hutje.
Modieus antwoord? Omdat het kan.
En omdat het mooi werk lijkt, je ziet de mogelijkheid en gaat het uitproberen, zo blijf je bezig en van de straat

De druiven zal het een rotzorg wezen.
Ze groeien alleen maar.
==

We komen de week wel door

Zin of geen zin, een paar extra boodschappen zijn nodig voor de komende dagen. Je wilt liever niet de straat op als het heet is.
Het is een afwegen van wat je moet nemen behalve de gewoonlijke etenswaren.
Doos ijsjes? Toetjes invriezen? Fruitsnoepjes maken? Toch maar niet, je loopt het er nu niet af.
Limo’s? IJsthee? Biertjes? Prosecco? Wijn? Hm, een kleine voorraad is misschien handig.
Terwijl ik kies en koop denk ik aan de tijd waarin we elk dubbeltje moesten omdraaien. Kinderijsjes, snoepjes, limonadesiroop en een paar potjes bier waren de enige luxe en dan moest ik het precies uitkienen want er hoorde ook een pakje shag of sigaretten bij. Meer konden we ons niet permitteren.
Zo ging dat.
Besef van het huidige gemak drong tot me door, de verzuurde stemming verbeterde. Dergelijke herinneringen zijn soms niet zo slecht.
=

Winterbezoek

Ik zag de winter voorbij gaan. Van de ene naar de andere straat.
Voorop liep zijn vrouw, te herkennen aan de ijsketting om haar hals.
Wow! dacht ik bewonderend, bijna winter en dan nog in decolleté, een wereldwijf.
Ze keken rond, op zoek naar een goede plek. Op de Alpen waren ze uitgekeken.
Af en toe overlegden ze: hier ijzel, daar poedersneeuw? Skiën doet men hier nier niet, plak dan maar?
Kom alstublieft hier, wenkte ik, wijzend naar onze wijk.
Ze aarzelden, knipoogden en zwaaiden slechts.
Jammer.
Ze riepen nog wat: Tot Kijk!
Ik zwaaide terug, ’n beetje mat.
Maar zegt men niet: hoop doet leven?

1. Lieftallige Lina in de bibliotheek

Stel je voor. Het is april, je wilt genieten van het lentegevoel maar winterse buien zitten nog in je hoofd. Zie ze kwijt te raken, denk aan bonte  bloemen als geurige madeliefjes, steek een zonnig-geel kaarsje op, lach tegen iedereen…’
Deze en andere dingsigheden stonden op een weblog onder de titel:ZOEK DE LENTE IN JEZELF.
Met aandacht las Lieftallige Lina het artikel, geïmponeerd. door de deskundologische adviezen.
Even uitproberen.
Hard schudde ze haar hoofd om het te ontdoen van sneeuw en ijs dat zich in de holtes had gevestigd. Ze zwierde haar krullen tot haar oren hagelden en vlokken en pegels uit haar mond rolden als tekstballonnen. Oef, dat was heel wat. Ze deponeerde de buien in de prullenbak en voelde zich merkwaardig licht, vervuld van luchtige zinnen. ‘Hmmmm, heerlijk helder hyacintje, weg de jassen en eeuwig groenen de grassen…’
Hier stopte ze met denken en keerde terug naar het scherm.
Vanuit de ooghoeken spiedde ze naar links en rechts , gelukkig, niemand van de bezoekers lette op haar.
Aller oren en ogen waren gericht op de straat waar langzaam een veelkleurige auto reed,  voorzien van een knalroze luidspreker op het dak.
‘Hedenavond in ons theater,’ schetterde het, ‘is de première van …gepruttel…, een film, speciaal gemaakt voor lenteminnenden. Romantiek, spanning, avontuur, met in de hoofdrollen verse spelers. Komt dat zien, kom dat zien.’

© Bertie

Van eikels en miniknaks

Niet nadenkend, vaag rondkijkend, zo liep ik naar de winkel.
Plotseling zag ik iets bekends op de stoep liggen.
-Hé, een miniworstje. Wie verliest zoiets nou?- dacht ik.
Een stukje verderop lagen er nog meer. Ik snapte er niets van tot ik een gescheurde vuilniszak zag waar van alles uitpuilde.
-Natuurlijk, daar komen ze vandaan- begreep ik.
Ineens viel het me op dat de hele straat bezaaid lag met miniworstjes. Wat raar.
Toen pas zag ik dat het geen worstjes maar eikels waren.
-Och ja, oktober, het is er de tijd voor-  herinnerde ik me.

Ter verontschuldiging: ze lijken echt op elkaar.  Als je vluchtig kijkt. En niet nadenkt.
Bent wat mijn moeder noemde: een doos zonder deksel. (het woordje doos had toen nog geen bijbetekenis)

Ook goedemorgen


Vanochtend vlug de fiets op, linksaf en bòns.  Bij de eerste bocht kwam ik op straat terecht.
Buurjongen en verderopse buurvrouw waren toevallig vlakbij, zetten fiets en mij rechtop en zo waardig mogelijk liep ik terug naar huis.
Daar keek ik verbaasd naar de vele bloedspatten op jas en fiets,  zag toen pas dat een vingertop geschaafd was met vlees en al, even later later voelde ik het ook. Tegelijk meldde een knie zich met nog meer bloed. Zie je die vlek? Dat was minstens drie liter, als Vlad in de buurt was geweest had hij zich ongans gegeten.
Achteraf viel het mee.
Ik kon lopen, knie buigen, typen met negen vingers, met pleisters overweg, was ophangen.
Alleen wat stijfjes, een tango zit er voorlopig niet in.