Pijnlijk oud zeer

Van de week dacht ik terug aan een lelijke gebeurtenis van ongeveer tien jaar geleden. Wat me triggerde weet ik niet.

Een man zat in zijn eentje aan een tafel op het terras waar we neerstreken. Hier en daar waren nog wat tafeltjes bezet.
Na een poosje stapten een paar andere bezoekers op. Afrikanen of misschien West-Indiërs.
De man-in-zijn-eentje riep ze na. Luid.
‘ Alsof je een steen oplicht, dan komt dat ongedierte te voorschijn.’
Iedereen schrok, zat versteend, wist niet wat te zeggen. De vertrekkenden reageerden niet, misschien gewend aan racisme?
Toen stond ik op, ook andere mensen wilden afrekenen. Men leek schuw en zich te schamen.
Echtgenoot gooide wat geld op tafel en we gingen.
De man bleef zitten. Keihard, onverschillig.

Wat bezielt zo iemand?
Zijn gedachtegang was – en is – niet nieuw, waarschijnlijk kennen we allemaal mensen die aan xenofobie lijden. Er zelfs groots op gaan.
Maar zo expliciet de kwaadaardigheid te kennen geven, dat maakte je -normaal gesproken- niet mee op zomerse terrasjes in het vriendelijke Brabant.
Waar ik ook met verbazing aan terug denk is aan het gebrek aan reacties. Allemaal, ook wij, wilden wegwezen.
Waarom zeiden we niets?
We hadden die vent moeten neerslaan ongeacht de gevolgen.
Laf waren we.
Dat stoort me bijna net zo veel als de woorden van die idioot.
Nog steeds.
=

Advertenties

Mijn geliefde kerstster


Een beeld was het, hij sprong eruit tussen honderden andere met zijn dieprode bladeren, fluwelig en rijk. Stevige voet in mooie aarde.
Pittig rechtop in een goeie pot.
Ik kon hem niet weerstaan en nam hem mee. Hij paste precies voor het keukenraam en stond daar zo feestelijk te wezen dat ik elke dag koekjes voor hem bakte. Of een taart. Soms een lekker maaltje maakte. Dan weer een patatje haalde. Hij lustte het niet maar ik wel.
Zo hadden we het heel genoeglijk samen.

Toch was hij niet gelukkig. Er verdorde een tak. Daarna twee. Hij tierde niet en ging zienderogen achteruit.
Bladeren vervaalden tot dorre ritsels. Ik gaf meer water, toen minder, baadde hem in geurige olie waarna hij definitief de geest gaf en tenslotte begroef ik hem naast de jeneverbes.
Daar ligt hij dood te wezen.
Zonder steen, mocht hij aan reïncarnatie doen moet hij eruit kunnen. In dat geval hoop ik dat hij een paar bessen kan oppikken, het maakt de start zoveel prettiger.

Feestelijke maaltijden eet ik nog iedere dag als een vorm van rouw, een geliefde kan ik niet zomaar loslaten.
Het is mijn trouwe aard.