Deftige droom (versvorm ollekebolleke)

Hangend in luie stoel
droom ik van zomerzon
glazen met prikkelsap
ijs bij de hand

nietwetend dat de knop
temperatuurniveau
op dertig graden staat.
De hoogste stand
==

Advertenties

Nette mensen

Teruggrijpend op het vorige logje denk ik aan de strengheid van de jaren vijftig.
We waren een arbeidersgezin, niets deftigs aan.
Katholiek, met protestantse en christelijke buren en meer soorten kerkelijken.
Allemaal dezelfde mensen, een viswinkel, bloemist en postkantoor, bushalte. Gewoner kon niet.
Toch was er een zekere stand. Een triestig soort waar we nu de schouders over ophalen maar toen heette het: als het er maar netjes uitziet..
Achter veel voordeuren speelden zich onverkwikkelijke zaken af maar naar de buitenwereld wilde iedereen zich keurig voordoen.
We vloekten niet, scholden niet in het openbaar, voortuintje was altijd geharkt, we droegen handschoenen naar de kerk en meer van dat.
Wat fatsoen betreft waren het barre tijden, we verslikten ons er zowat in. Deze opvattingen bestaan nog steeds
Geen wonder dat als  tegenspel de hippietijd omarmd werd.
Zonder dat we het over neukwater hadden.
.

Nestelen

Je weet  wel,  een lekker plekje zoeken.
Niet te verwarren met nesteldrang. Da’s heel wat anders.
Gewoon onderuit op de luie stoel.
Je weet toch hoe een hond dat doet?  Draaien, liggen, opstaan, deken overhoop krabben, liggen….
Kijk,  ik blaf niet maar ik begrijp zo’n dier heel goed, je zit toch niet lekker voor je je draai hebt gevonden?
Daar maak ik altijd veel werk van.
Eerst de stoel recht zetten, of juist schuin. Dit in verband met voetenbankje en bijzettafel: ze moeten op elkaar afgestemd zijn. Ook de kijkrichting naar tv.
Dan ga ik zitten; voel of de stand in orde is; zo niet dan sta ik op om nogmaals te schuiven.
De juiste houding is ook belangrijk.
Hm, centimeter naar links. Rechterbovenbeen ietsje naar voren.
Umm, voelt niet goed. Ik schuif  naar achter, wrijf met de rug tegen de leuning. Nnnnee, niet precies wat ik bedoel. Toch maar bijtrekken, dus sta ik op en verdraai de stoel weer ’n graadje terug.
Zo, nu kannie.
Hoewel, de kriebel onder links,  ik laat me achterover zakken in de linkerhoek, vastbesloten om het hierbij te laten. Ik ben toch zeker geen neuroot!
Nee, maar nog even dat voetenbankje wat afduwen, alleen de hielen er op. Boeken aan de kant, ziezo.  Ja, het vereist heel wat proefdraaien.
Na tien minuten zit ik definitief.
De avond kan beginnen. Benen gestrekt, boek erbij, puzzel naast me.. puzzel? Nou dat weer, pen, waar is de pen, niemand de deur uit, o daar valt ‘ie, rolt onder de stoel. En ik moet naar de wc, waar is mijn zakdoek nou weer, die broek zit trouwens ook niet lekker, hij trekt en…

Man wende er nooit aan en bekeek het circus telkens weer met onbegrip maar toen ik het langzamerhand afleerde viel het hem niet eens op.
Mezelf ook niet, trouwens.

Over trots


Een eigenschap die door sommige mensen hogelijk werd gewaardeerd, nog steeds.  Een bepaald soort trots. Je te groot voelen om hulp te vragen, zelf alles willen oplossen. Hier dacht ik aan bij het overlezen van ze-wilde-zelfstandig-blijven/
Als kind begreep ik niets van het idee.

We hoorden gesprekken waarin ronkend verhaald werd van ‘liever honger dan de hand ophouden’. De sprekers keken zegevierend rond, de meeste aanwezigen knikten. Niemand van hen zou het openlijk toegeven als men wèl financiële hulp  had aangevraagd.
Ze spraken over tijden die we, kind zijnde, niet kenden maar dat ze armoe hadden geleden was duidelijk.

Raar vond ik uitspraken als: ‘Weet je nog dat opa K. het verrekte naar het gemeentehuis te gaan terwijl opoe niet wist hoe ze aan brood moest komen? Wat was die man sterk!’ 
Sjonge. Je gezicht niet willen verliezen terwijl je gezin honger lijdt, wat een armoed. Ik zou het juist dapper hebben gevonden als die opa zijn trots opzij zette en het hoofd gebogen had. Dacht ik, verontwaardigd .

Bij het ouder worden begon ik er iets van te begrijpen.
De Bijstandswet bestond nog niet, mensen konden Steun aanvragen, van gemeente of kerk. Geen pretje, bleek uit andermans verhalen. Tot op de cent nauwkeurig werd berekend wat de gezinnen nodig hadden, elk klontje suiker werd als overbodig gezien en bestraft door op andere artikelen te korten. Ook hoorde ik van Steunhelpsters. Veelal dames van betere stand die Goede Werken beoefenden en de arme gezinnen bezochten om de behoeften te onderzoeken. ‘De neerbuigendheid,‘ vertelde een vrouw, ‘was niet te harden.’
Dan krijgt die opschepperige trots een heel andere lading.

Sommige ouderen koesterden hun gevoel van eigenwaarde tot hun dood.
Zij waren trots op hun trots.