Je moet niet alles geloven

We gaan over een paar dagen op treintrip.
Ik verheug me er op ware het niet dat de reis op vrijdag de dertiende valt. Daar hadden we niet bij stilgestaan tot ik vanmorgen in de agenda keek.
Kijk, ik ben niet bijgelovig hoor. (Zeggen we dat niet allemaal?)
Niettemin raak je besmet door herinneringen aan zwarte katten, gebroken spiegels, enfin, lees deze voortekenen en je neemt uit lijfsbehoud alvast een driedaags slaaptablet op de avond ervoor.
Zover ga ik natuurlijk niet.
Ik wapen me slim.
– Ik zet een gekleurde bril op tegen die katten
– kijk niet in spiegels
– ook niet naar de nieuwe maan
meer verstand heb ik niet maar het is een begin.
Als de anderen ook een paar voorzorgsmaatregelen nemen komen we samen een heel eind. Misschien wel op op de plaats van bestemming.
Voor de zekerheid kunnen we een verdwijndeken inpakken maar dan weet je weer niet wat je moet doen: gooi je hem over jezelf of over het ongeluk dat je tegenkomt? Stel dat een overvallende pyromaan niet in Harry Potter gelooft en de deken in brand steekt, wat heb je er dan aan? En wat als er een slijtplek in zit en je gezicht er doorschemert? Dan zie je alle narigheid van dichtbij.
Maar ik blijf optimistisch en hoop op slecht weer. In dat geval gaan we de volgende dag, is de afspraak.
Dus hoef ik alleen maar de regendans te doen.

Advertenties

Serie. Een ijdele man.

Er was eens een man, zo vreselijk ijdel dat hij zich nooit eens losjes kon gedragen.
Doorlopend was hij bezig met zijn uiterlijk als een ware narcissus.
Zaten zijn veters goed? Hing dat krulletje niet te wild? Paste de sokken wel bij zijn onderbroek want echt, zo erg was het met hem.
Hij was een gevaar op de weg en voor zichzelf want hij lette nog meer op zijn verschijning dan anderen op hun berichten.
Dagelijks bezocht hij minstens twee modezaken om nieuwe kleren te passen en te showen voor de spiegels.  ‘Vindt U ook niet,’ vroeg hij aan verkopers, ‘dat dit me goed staat of zou een zijden shirtje geschikter zijn? Kijkt U even of er nog kasjmier in mijn maat is…’
Winkeliers en personeel lieten hem zijn gang gaan, bekend als ze waren met zijn eigenaardigheid.
Een keer was een onervaren verkoopster, geïrriteerd door zijn gekeutel, uit haar slof geschoten: ‘Rot toch op draaikont, je lijkt wel een aap.’
Geschokt had hij de winkel verlaten maar bij de volgende etalage bekeek hij zijn spiegelbeeld met een tevreden gevoel: dan toch een knappe aap.
Zijn huis was opgebouwd uit spiegels, boven aanrecht en fornuis, op alle deuren aan beide zijden, plafonds waren een blinkende lust voor zijn oog en boven aan de trap kwam hij zichzelf tegen op de overloop. Dan groette hij waardig.
Op zomerse dagen zat hij aan oevers van plassen met helder water en viel bijna in zwijm bij zijn waterbeeld. Hij zuchtte ‘wat ben ik toch mooi.’
Zo droomde hij door het leven.