Zoveel energie en dat met die warmte

Alles in de tuin groeit zo hard, ik ben al buiten adem als ik het spul groter zie worden. Knoppen en ranken komen me tegemoet en wuiven bij het passeren. Dan hijg ik een knikje terug.
Maar mooi is het.
De campanula is in opmars voor de jaarlijkse verblauwing.
Een grote klaproos sterft af, hij moest zo nodig de eerste zijn.
Een druiventak reikt zo ver mogelijk, hij zwaait met lange halen.
In de varen kan ik straks wonen.
Uit de kunstgrasmat komt niets, je zou iets cultureels verwachten, een schilderskwast desnoods maar het laat slechts dunne halmen door.
Van het theekopje valt niets te zeggen. Het hangt.
Wat met de overige planten? Die groeien me zowat boven het hoofd, nog een geluk dat de stoep niet leeft, stel je voor dat de tegels knoppen kregen, hoe zou je die moeten verzorgen?

Net was er een onweers-hoosbui die de laatste blaadjes van de klaproos vernielde, ocharme, maar ja, dat is des klaproos’. De rest is er juist van opgefrist en schiet nu nog sneller omhoog, ik zag zojuist twee klimoptakken een wedstrijdje houden: wie zich het eerst om de waslijn krulde. Enig, het enthousiasme van dat jonge spul.
De spiegels doen niet aan groot worden en waarom zouden ze ook, ze zijn mooi genoeg.
Ze staren eindeloos in het vijvertje, wachtend op, nee, niet op narcissen.
Dat vinden ze te geijkt, te ijdeltuiten.
Trouwens, Godot laat zich ook niet zien.

Advertenties

Je moet niet alles geloven

We gaan over een paar dagen op treintrip.
Ik verheug me er op ware het niet dat de reis op vrijdag de dertiende valt. Daar hadden we niet bij stilgestaan tot ik vanmorgen in de agenda keek.
Kijk, ik ben niet bijgelovig hoor. (Zeggen we dat niet allemaal?)
Niettemin raak je besmet door herinneringen aan zwarte katten, gebroken spiegels, enfin, lees deze voortekenen en je neemt uit lijfsbehoud alvast een driedaags slaaptablet op de avond ervoor.
Zover ga ik natuurlijk niet.
Ik wapen me slim.
– Ik zet een gekleurde bril op tegen die katten
– kijk niet in spiegels
– ook niet naar de nieuwe maan
meer verstand heb ik niet maar het is een begin.
Als de anderen ook een paar voorzorgsmaatregelen nemen komen we samen een heel eind. Misschien wel op op de plaats van bestemming.
Voor de zekerheid kunnen we een verdwijndeken inpakken maar dan weet je weer niet wat je moet doen: gooi je hem over jezelf of over het ongeluk dat je tegenkomt? Stel dat een overvallende pyromaan niet in Harry Potter gelooft en de deken in brand steekt, wat heb je er dan aan? En wat als er een slijtplek in zit en je gezicht er doorschemert? Dan zie je alle narigheid van dichtbij.
Maar ik blijf optimistisch en hoop op slecht weer. In dat geval gaan we de volgende dag, is de afspraak.
Dus hoef ik alleen maar de regendans te doen.

Serie. Een ijdele man.

Er was eens een man, zo vreselijk ijdel dat hij zich nooit eens losjes kon gedragen.
Doorlopend was hij bezig met zijn uiterlijk als een ware narcissus.
Zaten zijn veters goed? Hing dat krulletje niet te wild? Paste de sokken wel bij zijn onderbroek want echt, zo erg was het met hem.
Hij was een gevaar op de weg en voor zichzelf want hij lette nog meer op zijn verschijning dan anderen op hun berichten.
Dagelijks bezocht hij minstens twee modezaken om nieuwe kleren te passen en te showen voor de spiegels.  ‘Vindt U ook niet,’ vroeg hij aan verkopers, ‘dat dit me goed staat of zou een zijden shirtje geschikter zijn? Kijkt U even of er nog kasjmier in mijn maat is…’
Winkeliers en personeel lieten hem zijn gang gaan, bekend als ze waren met zijn eigenaardigheid.
Een keer was een onervaren verkoopster, geïrriteerd door zijn gekeutel, uit haar slof geschoten: ‘Rot toch op draaikont, je lijkt wel een aap.’
Geschokt had hij de winkel verlaten maar bij de volgende etalage bekeek hij zijn spiegelbeeld met een tevreden gevoel: dan toch een knappe aap.
Zijn huis was opgebouwd uit spiegels, boven aanrecht en fornuis, op alle deuren aan beide zijden, plafonds waren een blinkende lust voor zijn oog en boven aan de trap kwam hij zichzelf tegen op de overloop. Dan groette hij waardig.
Op zomerse dagen zat hij aan oevers van plassen met helder water en viel bijna in zwijm bij zijn waterbeeld. Hij zuchtte ‘wat ben ik toch mooi.’
Zo droomde hij door het leven.