Brááf!


Zo gaat het nog even door, 25 punten in totaal.
Het is een kindermisboekje uit 1954 en zwierf  vroeger rond van keukenla via dressoir naar rommelschaal en weer terug tot ik het bij de nalatenschap van mijn ouders vond. Het ligt nog steeds in onze boekenkast. Moe wilde het waarschijnlijk niet weggooien of ze hoopte op good vibrations naar het gezin, vroeger geloofde ze nog.

Ons leven overziend kan ik niet zeggen dat al die oproepen tot braafheid geholpen hebben.
We waren geen cent beter dan de Christelijken, Gereformeerden, Hervormden, Joodsen, Protestanten en meer andersdenkenden. (die term…)
In Brabant, waar begin 1960 nog steeds het katholicisme heerste, waren de gelovigen ook niet volgzamer dan wij. Wel makkelijker, ze hoefden zich niet aan anderen te spiegelen: er was maar één kerk.

Maar goed, ik ken nog steeds het weesgegroetje en zelfs in het Frans, dit  door overmatig strafwerk van de leraar. Het gebrek aan onze braafheid deed hem af en toe de gal overlopen, vandaar. Zal hij echt gedacht hebben dat ons dit tot inkeer zou brengen?
Je vous salue…   😀
==

Spiegelen

In de nieuwsbrief Meertens Instituut    staat de rubriek vraag-van-de-maand
Daarin komen grappige maar ook interessante artikelen voorbij. Over het kinderspel knikkeren bijvoorbeeld, de Rattenvanger van Hamelen, uitleg van een spreuk, zwartwerken, enzovoorts.
Het onderwerp  waarom-pas-ik-mijn-tongval-aan-aan-die-van-mijn-gesprekspartner wat wij spiegelen noemen, is er een van.

U kent het vast wel, spiegelgedrag.
Het is bij veel mensen bekend hoe makkelijk het gaat: iemand -ongewild- napraten.
Zelf heb ik de grootste moeite niemand voor de gek te houden, dat wil ik niet. Toch zijn er een paar kennissen die ik liever  niet aan de telefoon krijg.
Iemand met een zangerig Zuid-Limburgs accent beantwoordde ik prompt met:  goedemòòòògge H.
Met een oude Zaankanter ging ik ook mee: Met main issut goed hooor,  en-mit-jouw?
Een man die licht stotterde durfde ik niet eens aan te horen en een exvrijer die loenste nam ik maar niet mee naar huis. Minstens één zus zou haar ogen verdraaien, niet eens met opzet.
Waarom doen we dat? We willen immers niemand kwetsen?
Mathilde Jansen zegt er dit over:
‘… over het algemeen passen taalgebruikers zich onbewust aan elkaar aan. Bijvoorbeeld in de uitspraak. Toen ik als geboren en getogen Texelaar in Nijmegen ging studeren, nam ik onbewust de daar gangbare zachte G over. Ik werd erop gewezen door een Texelse buschauffeur, toen ik een weekendje terugkwam naar mijn ouders.’
Zo kan het ook gebeuren dat je onbewust in een gesprek (aspecten van) een Amerikaans accent van iemand overneemt. Door te spiegelen stel je je gesprekspartner onbewust op zijn gemak. Eigenlijk zeg je ermee: wij zijn hetzelfde!’

Misschien heeft ze gelijk, ik weet het niet. Voor mijn gevoel benadruk je juist iemands anders-zijn op een onaardige manier al is dat niet de bedoeling. Wie zal gelijk hebben?
Meer uitleg is te vinden in het stukje over tongval.