Als de kerst uit mijn hoofd is verdwenen

Vanmorgen bekeek ik de kerstboom en -versiering. Ze doen geen dienst meer en moeten weg.
Vanavond zag ik in de straat de meeste tuinlampen en -hertjes nog branden. Toch was het niet zo aantrekkelijk als vorige week.
Het is het gemis aan sfeer. Al weten we dat het kerstverhaal slechts symbolisch is, en, niet te vergeten, wordt bespeeld door producenten van gebakken lucht, toch heerst er een stemming van lichte spanning. Licht en nog meer licht zijn uitingen ervan, zij verhogen de feestvreugde.
We weten het en veelal zal het het vooruitzicht niets met de kerstgedachte te maken hebben maar een gezins/familiedag, etentje thuis of elders, weekendje weg, vriendelijke oude films op televisie, misschien een weerzien van verre verwanten, zijn zaken waarnaar men uitkijkt. De wende lijkt het ultieme moment voor dergelijke dingen, een nieuw begin en zo. Daar hoort extra licht bij en mag wat kosten.

En na een paar dagen is dat allemaal voorbij, de verwachtingen zijn al of niet uitgekomen. Lampjes, boom en beeldjes kunnen opgeborgen tot het volgende kerstfeest.
Wie weet wat we dan afspreken.
Ik gok wederom op een aardappelmaaltje en hoop op een kroket. Of twee.

Advertenties

Morgen is het weekend

Nog steeds voel ik ’n beetje spanning als het bijna weekend is. Heel weinig maar onmiskenbaar.

Het uitkijken naar einde werkweek en het opgewonden gekakel met collegaatjes – misschien zie ik J, hij zou me afhalen – , die buikpijnbezorgende verwachting bestaat niet meer maar van die dubbel-opgewekte stemming is nog een spoortje aanwezig.

Nu vertaal ik het naar realistischer zaken.
Is er iets te doen, expositie of optreden van plaatselijke kunstenaars of koor,  shoppen over de grens, nieuw boek, asperges eten, manifestaties in het park, langdurig zaterdagontbijt met de kranten. Ik verheug me nu al.
Zijn die vroegere herinneringen echt of overdreven?
Het maakt me niets uit, ze zijn goed voor het humeur en houden de sjeu erin:
morgen is het weekend.

Tante in koopjes. Toen.

Er hing spanning in de lucht.
De atmosfeer knetterde van opwinding.
De UITVERKOOP begon.
Alle inwoners van de stad kwamen naar buiten en verzamelden zich voor grote warenhuizen, hun harten kloppend van verwachting; lege tassen bungelden aan de handen. Zo ook onze tante. Zij stond vooraan, kooplustig en met de scheenbeschermers stevig aangegespt. Een boksbeugel in haar jaszak, voor noodgevallen.
Na een fluittsignaal stormden de horden naar voren.
Gottegot, dacht tante, als er maar wat voor mij overblijft en met een daverende strijdkreet wrong ze zich naar  diverse afdelingen, dwingend en dringend.  Bang dat ze wat zou mislopen greep en graaide ze allerlei wonderlijke zaken totdat ze met armenvol spullen bij de kassa belandde. Wazig rekende ze af en holde naar het volgende front, de tas was nog lang niet vol.
Ze passeerde de ME bij de Hema en moest slag leveren. Ze won en triomfeerde bij de bakken met buitenaardse kleding. Er waren broeken met anderhalve pijp en truien met armsgaten aan de onderkant, ze ontdekte een eigenaardig geval dat van oorsprong een dekbedhoes voorstelde maar door de verbeten gevechten tot twee hoofddoeken geslonken was. Eén daarvan bracht het tot haarlint.
Tenslotte had ze haar tassen vol en uitgeput ging ze van het uitgespaarde geld een taartje eten.
Naderhand bleken haar aankopen een zootje te zijn wat een beetje zielig was want ze had al die moeite bekocht met drie dagen bedrust en twee stripjes hooggedoseerde valium.
Gelukkig knapte ze snel weer op; ze plaatste een advertentie bij de supermarkt:
“Aanstaande Zaterdag Carboot-Sale in de Hoofdstraat, Van Alles Wat….”