Vier oktober voor mens en dier.


Pfff, wat een dag, ik geloof dat de halve wereld vandaag een boutje op het bord wilde.‘ Vermoeid deed de slager zijn winkel op slot en liet zich op een stoel zakken. Bekaf.
‘Verschrikkelijk, de drukte vandaag; iedereen bestelde een vleesgerecht,‘ verzuchtte de kok terwijll hij vermoeid op zijn bed viel.
‘Rrrrroahhhrrr,‘ grauwde Leeuw tegen echtgenote, zich vadsig uitstrekkend, ‘drie antilopes was teveel voor mijn gestel maar lekker wàs het.
‘Mam, mag ik de snavel laten liggen en de tenen lust ik ook niet?‘ vroeg het vossenjongetje.
BURB’ en na een paar seconden nog luider ‘BURRÙÙÙRRB’  klonk het uit een krokodillenkeel, ‘er gaat toch maar niets boven een mals nijlpaard’  bij het oprispen  van een bot.


Het was een vreetzame dag.

huilen1