Beppie’s vrijer

Toen Beppie haar nieuwste aanwinst thuis voorstelde keek moeder bedenkelijk naar zijn vettige haren en rafelige outfit.
‘Dag,’ groette ze, ‘ik ben Klazina’.
‘Haai, ik heet Carlos, maar je mag wel Klootje zeggen hoor.’
Moeder verbleekte.
‘ O, eh, ja. Kopje thee?’’
‘Ja lekker,  met een rummetje en een worsie erbij,’ antwoordde hij en keek verbaasd naar Beppie die hard begon te lachen. Moeder rechtte haar rug en ging naar de keuken, zette theewater op.  Rum, het idee.
Ze zuchtte. Bep, altijd dwars, nou deze jongen weer.

Er was geen worst. Dan maar wat anders.
Ze wikkelde een augurk in een plak rosbief. Legde het op een schaaltje en maakte het af met schijfjes komkommer.
Bij de thee reikte ze hem het schaaltje aan. ‘Sorry Carlos, de worst is op’. Verbluft keek hij naar de rosbief, gluurde voorzichtig onder de komkommer. Wantrouwig keerde hij de hap ’n paar keer om en beet er in.
Gespannen observeerde moeder zijn gezicht.
‘Weet je’, zei hij vertrouwelijk, ‘als je geen goeie slager hebt, moet je er ’n lik mosterd op doen, dat helpt tegen de taaiigheid’.
Hij keurde nogmaals.
‘En voor augurken moet je bij de haringboer wezen, die heeft de beste zure bommen. Lekker met palingworst, vis aan vis, weet je wel.’
Ongelovig keek ze van hem naar haar dochter die zich verslikte en haast niet meer bij kwam.
Beppie veegde de tranen uit de ogen en keek haar moeder uitdagend aan, maar die zweeg; ze weigerde zich te laten provoceren.
Beppie deed het er om, wist ze en er was niets wat ze er tegen kon doen.

Advertenties

Herfst is dubbel

Heerlijke Herfst.

Het is prachtig om te zien hoe de zomer ten einde loopt.
Imponerend verheffen zich grote wolken, zij vormen reinigende stormen en koele buien en spelen met een regenboog aan bladeren.
Een blije herfst bemerk je ook bij mensen en dingen.
In de groenteafdeling beleeft zomerfruit sprankelend de nadagen; aardappelen piepen zingend door hun plastic zakken en stevige preien dansen bijna in hun kisten.
Ook de slagerij biedt een opgewekte aanblik, niet in het minst door de fris-ogende karbonades en de stevig in het vel zittende saucijzen. Chateaubriands loeien je tegemoet vanuit hun kraakheldere bakken.
En dan het brood, een en al geurigheid en glanzende korstjes.
De winkelenden stappen met opgewekte najaarspassen langs de schappen om uiteindelijk liefdevol de waren op de band te vlijen.
Afrekenen lijkt een spel voor twee: hand op hand, een lach, een vriendelijk ‘dank-u-wel’ en tenslotte huppelen de mensen naar buiten, de schoongewaaide lucht tegemoet.
Het personeel wuift hartelijk.

———————————————————–

Herfst.
Mineur.

Je kunt wel zien dat de herfst is begonnen.
Niet alleen aan wind en regen, ook aan mensen en dingen die verwaaid en bewolkt ronddwalen.
Ga naar een willekeurige winkel en zie.
Bij de groenteafdeling liggen de preien lusteloos in hun kist; aardappelen hangen onderuitgezakt in de rekken; restantjes zomerfruit schrompelen onder mistige ademstoten .
Bij de slagerij is het niet veel beter. Zowel de karbonaadjes als de braadlappen liggen vellerig te wezen in verdofte bakken en de braadworst ziet er zowel grijs als gerimpeld uit. Chateaubriands lijken op de dode ossen waaruit zij gesneden zijn.
Het brood behoeft geen beschrijving: alles is grauw.
En dan de mensen die er rondlopen, daar wordt je pas goed herfstig van.
Beregend en verwaaid slepen ze zich lauw langs de schappen om tenslotte met kleurloos chagrijn de artikelen op de band te gooien -moet die rotzooi nog betaald worden ook? Vooruit dan maar-
Landerig vegen ze de boel in versleten tassen en  tenslotte sjouwen ze  naar buiten. Het najaar tegemoet.
Het personeel kijkt ze narrig na.

Vier oktober voor mens en dier.


Pfff, wat een dag, ik geloof dat de halve wereld vandaag een boutje op het bord wilde.‘ Vermoeid deed de slager zijn winkel op slot en liet zich op een stoel zakken. Bekaf.
‘Verschrikkelijk, de drukte vandaag; iedereen bestelde een vleesgerecht,‘ verzuchtte de kok terwijll hij vermoeid op zijn bed viel.
‘Rrrrroahhhrrr,‘ grauwde Leeuw tegen echtgenote, zich vadsig uitstrekkend, ‘drie antilopes was teveel voor mijn gestel maar lekker wàs het.
‘Mam, mag ik de snavel laten liggen en de tenen lust ik ook niet?‘ vroeg het vossenjongetje.
BURB’ en na een paar seconden nog luider ‘BURRÙÙÙRRB’  klonk het uit een krokodillenkeel, ‘er gaat toch maar niets boven een mals nijlpaard’  bij het oprispen  van een bot.


Het was een vreetzame dag.

huilen1

 

koken en vakantie

Schat, ga jij even naar de bakker? Het brood is op.
– Okee.. tot zo.
Ben je nou al terug?
– De bakker is met vakantie en de supermarkt is op slot.
Echt waar? Nou, dan leen ik wel wat bij de buren. – Krijg nou wat,  links en rechts zijn ze niet thuis.
– Zullen we een aardappelsalade maken? Smaakt toch ook?
Goed idee maar de piepers zijn op.
– Dan haal ik een zakje. – Barst. De groenteboer is  met vakantie…
Nou zeg, dat  valt me tegen. En de slager? Voor een biefstukje.
Ben al weg. – Nope. ik vraag me af of we nog wat te eten krijgen vandaag.
Ach wat, we hebben elkaar toch?
– Klopt,  je bent om op te eten, jammie…  maar de vettent is ècht lekker.