Tegenstellingen


‘Mooie kindertijd?  Het zou wat, arm waren we en de kleren gingen van broer op broer, ook de sokken met gaten
..
.-
Dat vond ik juist leuk, mooie petticoat van de ene zus, roze babydoll …

…haast nooit speelgoed, met sinterklaas,  een mikadootje of een plastic autootje….

een nieuwe pop was er altijd bij, en een boek of legpuzzel…

‘…de fietsen waren een ramp. We konden de banden er beter afhalen zo slecht waren ze…

…ik kreeg de Gazelle van de andere zus, glimmend gepoetst en een spiksplinternieuwe bel erop…

.en…  Je lacht me uit! Je gelooft me weer niet hè?

Proest. Jij  mij wel?
===
Het was een spelletje geworden, de eerste jaren.
Man mocht graag verhalen van zijn superarme jeugd in een Brabants plattelandsdorpje.
Ik overdreef graag met mijn moderne zussen uit Holland.
Flauw spelletje maar toch,  we beseften het zelf niet maar hadden ongeweten een manier gevonden om de verschillen uit te leggen en elkaar tegemoet te komen.
Verliefd zijn was zo gek nog niet.
-==

Chemtrails 2010, toen ook al

‘Goeie vraag’ is een leuke site.
Door elkaar genomen worden er gewone vragen gesteld waarop men serieuze antwoorden  krijgt.
Maar ook dit  vliegtuigen die kwalijke vloeistof sproeien!  komt voor.
Tien jaar geleden en het houdt maar niet op.
Er zijn mensen die hier in geloven, wakker gemaakt door bijeengeharkte bewijzen van  janet-ossebaard, een bekende in de complottenwereld.
Het levert ze geld op. En aandacht, vooral veel aandacht hetgeen nog meer geld genereert.
Had ik dat eerder begrepen had ik beter geluisterd naar gelovige klasgenootjes:
‘De Kerstman bestaat, ik hoorde de belletjes.’
‘Sinterklaas ook, mijn moeder heeft het zelf gezegd.’
Dat was vóór ze op de grote school kwamen en de catechismus leerden maar dat is een ander verhaal.
=

Sportdag van de spinnen. Vierde en laatste deel.

Ze weven grapteksten tussen de takken.
‘ET in Spinnenland’, ‘The Martians are coming’. Kinderen doen mee: ‘Gremlinspider voor Sinterklaas.’
De mens, zich niet bewust van de commotie boven zijn hoofd, drentelt ongeduldig heen en weer; hij vraagt zich af wanneer er een ruimteboodschap komt en gaat zelf op onderzoek uit.
Hij speurt in alle richtingen en bukt onder struiken, tuurt herhaaldelijk de hemel af maar niets verwijst naar een UFO, helemaal niets valt er te ontdekken.
Mijn god, hij heeft zich vergist.
Wat nu.
Hij kan het het beste als een grap afdoen. Niet dat Lies het als zodanig zal zien. ‘Geen bewijs = roze olifanten’ zal ze snebbelen, haar gebrek aan fantasie is grenzeloos. Wat een vooruitzicht. Kon hij zijn berichten maar terugdraaien.
Hij kijkt naar de spuitbus in zijn hand; na een steelse blik over zijn schouder draait hij het bovenstuk los en neemt een snelle slok, ahhh, dat doet goed. Met verlicht lood in zijn schoenen loopt hij naar zijn auto en rijdt naar huis.
Opgelucht zien de spinnen de jammerlijke afgang van de mens. Ze bungelen uit de takken en spannen de spieren om het sportveld te restaureren maar een van hen roept.
‘Hela, wacht. Het is tijd, Araneae aller landen: verzáááámelen!’
Een wild gejoel volgt, ze rennen door elkaar, huppelen en springen, ze vergeten het sportgedoe en klitten rond de spreker.
‘Luister. Over een half uur is de zomer voorbij, hoogste tijd om serieus te worden. Ieder kent zijn werkgebied en denk eraan: gedraag je netjes, handel als een gentlespider of wees ladylike.
Over drie maanden geef ik het eindsignaal en zien we elkaar op het uitrustveld waar…’  hier veroorlooft de spreker zich een draadje humor ‘… hopelijk mens noch UFO ons zal vinden. Laten we nu gaan, Ariadne zij met ons”.
En zo luiden ze de herfst in.