Bloemetjesstof.

Een rok.
Een knalgele lenterok met gekleurde bloemetjes, die maakte ik voor mezelf.
Het werd een vrolijk geval, een beetje klokkend. Zwierig.
Trots liep ik er mee rond.
Bijna iedere dag droeg ik hem met telkens een ander shirtje, in het blauw van de vergeetmenietjes of het wit van de madeliefjes.
Het werd zomer.
We aten buiten en fietsten naar het zwembad; ik aldoor in die rok.
Toen kwamen de wespen opzetten. Het fleurige motief leek te echt, ik was een wandelend bloemenperk.
Het begon met twee of drie stuks die op de rok neerstreken, toen een heel gezin tot er een compleet volkje op me af kwam en ik me als een insectenwolk voortbewoog en het ding niet meer durfde te dragen.
Stomme wespen, die het verschil niet zagen tussen echte bloemen of Mijn Rok.

Echt gebeurd.
Als ik het niet zelf niet had meegemaakt, zou ik dit nooit hebben geloofd.

Advertenties

Twijfel

Het was lekker in de zon.
Daarom stond ze in dubio: buiten koffie drinken? Of toch maar binnen?
Hij zag haar aarzeling, ‘doe het niet,  raadde  hij, ‘ga liever mee, een stukje fietsen’.
Goed.
Voor de kledingkast twijfelde ze: shirt of een bloesje?
‘Niet doen’, hij weer, ‘trek een trui aan’.
Oké.
In de gang talmde ze bij de kapstok: spijkerjack of dunne fleece?
‘Je kan beter je gevoerde anorak aandoen’.
Denk je?
Ze keek naar de schoenenplank:  slippers of sandalen?
‘Neem je laarzen, schat…’
Zucht.
‘Luister’, zei ze, ‘het is warm en ..’   ‘Jawel, maar het kan ook omslaan…’
Ze zei niets en trok een la open.
‘Wat zoek je?’  vroeg hij
Keurend keek ze naar zijn mond.
Hechtpleisters? Of duckttape?