Filosoferietje

Twee citaten.

Horatius (62 v Chr).

Propertius(circa 47-15 v.Ch).
Tja, ik ben niet onder de indruk.
Ze worden aangehaald in een bundel van Montaigne  wiens essays bol staan van citaten maar doen me eerder denken aan lessen van de pastoor.

Er zijn ontzaglijk veel uitspraken van geleerden, voetballers politici, schrijvers en anderen die zich filosoof wanen, wie wil kan zijn leven zoet brengen met het lezen ervan.
Er zijn mooie gedachten bij, wijze woorden  om jaloers op te worden.
Maar ook knap bedachte zinnen. Bedacht, inderdaad, speciaal voor uitgevers? ‘Wantrouwen is geraden bij het lezen van sommige filosofen’.  Ziedaar, eentje van mezelf.
In oude tijden werden ze vanzelfsprekend als wijs beschouwd omdat ze konden lezen, iets waar het gewone volk tegenop keek. Niet altijd, men zei niet voor niets: ‘Ga zo door en gij zult spinazie eten.’
En zijn ook aardige:
Smart laat kippen en dichters kakelen. Nietzsche
Zalig zijn de slaperigen: want zij zullen dra indommelen. Nietzsche
Hoe meer wetten er zijn, des te meer dieven. Lao-Tse.

Onbetaalbaar vond ik die van een geërgerde schoonmoeder toen de kat een paar keer binnen plaste: ‘De wereld hangt van kattenpis aaneen’.
Maar ja, zij was niet erkend laat staan dat iemand een essay over haar schreef. Ze is trouwens al jaren dood.

Als uitsmijter deze van Schopenhauer die dit vast niet had durven zeggen wanneer hij nu leefde:
Alleen al de aanblik van de vrouwelijke vorm leert dat de vrouw niet bestemd is voor groot spiritueel of fysiek werk.

Daar moeten we het mee doen.
==

Schoonmoeders moestuin

 

Herhaling, sorry. Het is op verzoek.

‘Hier staan boontjes, ginds de piepers. Daar de kolen, zie je hoe groot? Kijk, dit gebruik ik tegen ongedierte.’ Ze toonde een giftig goedje en deed de behandeling omstandig voor.
Ik knikte.
Mocht ik me verbeelden iets van tuinieren af te weten dan kwam ik hier tot inkeer.
Dus liep ik zwijgend mee.
Mompelde  over groeizaam weer.
Zei niet wat ik dacht van vergif. Op een aanstaande schoonmoeder maak je liever  geen ongunstige indruk.

Halverwege het tuinpad wilde ik iets aardigs zeggen en wees:  ‘De bonen staan er mooi bij.’
Ze stopte om me vol minachting aan te kijken.  ‘Dat zijn de piepers.’

Dit kon ik niet meer goedmaken.
Pas bij nederige erkenning van stadse domheid accepteerde ze mijn onnozele opmerking.
Dat ik niet eens uit een stad kwam zag ze over het hoofd.
=