Was dat domweg uit het hoofd leren echt zo verkeerd?

‘Je bent aan de heidenen overgeleverd.’
Een gezegde van mijn moeder, wie anders.  Ze zou het gezegd hebben bij de berichten over IS.
Ze kende er veel, teveel naar onze smaak, we vonden het gezeur maar voor haar was het heel gewoon om ze te onthouden. Ze had er tientallen paraat, misschien wel meer.
Haar generatie (ze was van 1918) leerde allerlei dingen uit het hoofd. Bij ons huiswerk topografie vertelde ze prompt hoeveel plaatsen er in Nederland waren: ‘1100, in onze tijd.’ We zuchtten. ‘Ja Moe, dank U wel.’ (tutoyeren was nog niet aan de orde).
Alle tafels werden moeiteloos opgedreund, hoofdrekenen was een makkie.
Invallen der Noormannen: 800 – 1000, ongeveer de tijd van Karel de Grote.
Columbus op Amerika: 1492.
Enzovoorts. En dat niet alleen, ze kregen er ook uitleg bij.
Toen we verhuisden van Wormer naar Katwijk bij Cuijk kon ze precies aangeven waar het lag, dat de Maas regelmatig overstroomde en de Duitse grens hemelsbreed betrekklijk dichtbij was.
Ze leerden er toen wat af.

Op onze Lagere School kregen we ook nog rijtjes en lijstjes, in veel mindere mate. Het schoolhoofd moest er niets van hebben. Daar leren jullie niets mee, zei ze, het is gemakzuchtig. Belangrijker is dat je de stof begrijpt.
Het werd toendertijd een hot item en toegegeven, er verbeterde het een en ander in de manier van lesgeven. Al leerden we nog steeds uit het hoofd: Groningen met de hoofdstad Groningen, Friesland met de hoofdstad Leeuwarden…
Toch betwijfel ik of uit-het-hoofd-leren fout was. Niet omdat vroeger alles beter was, het is een handige manier om de vereiste leerstof in een kinderhoofd te stampen.
Nog altijd beter dan eindeloze uitleg die ongeïnteresseerde leerlingen toch niet oppikken.
En: bleven kinderen er dom bij?
Dat wil er bij mij niet in.

Als kind…

…schreef ik een boek
een heel dik boek
van minstens zestien vellen;
over Moortje onze kat
van ouders als een rechtend pad
en liefderijke zusmodellen.
Ook de school kwam aan de beurt
uiteraard in roz’ gekleurd
dan de kerk met god en hemel,
zaligzinnelijk gefemel
van engelen die braafheid kweelden
zoet als bloemen.  Woorden streelden
en penseelden
zacht mijn kinderlijk geloof
voor realisme was ik doof.
Gehoorzaam schreef ik mijn verhaal.
Een kind is willig materiaal.
© Decomenik

Lachwekkende smoezen

‘Niet zo dom lachen jullie.’
‘Lach niet zo stom.’
Menig geërgerde leraar maakte die opmerkingen, ook tegen mij. Resultaat was meestal nog meer gelach maar dan ingehouden. We begrepen het echt wel maar waarom meteen als ‘dom’ aangemerkt?
Hier dacht ik wel eens over over na. Een antwoord hadden we nooit, hoe kon je nu weten of je dom of juist pienter lachte?
Thuis oefende ik voor de spiegel, ik zag geen verschil, het stond alleen maar raar zo je mond te vertrekken. Dat vonden broer en zus ook, ze gingen achter me staan en deden me na. Toen lachte ik zuur en dat is heel wat anders.
Hadden we in de les meer mogen lachen dan was ik nooit aan het spijbelen gegaan.
Niet eindeloos rondjes hoeven fietsen en kou hoeven lijden tot het tijd werd naar huis te gaan.
Geen smoesjes hoeven verzinnen tegen de dirk.
Kortom, lachen was gezond maar dat snapten ze niet op die rotschool.
Zo praatte ik mezelf schoon en dat diploma haalde ik ook.
Grijnzend liet ik het de leraren en leraressen zien.
Sportief lachten ze mee op één na maar die lachte toch al nooit.

Over smoezen


Daarvan zijn er vele en iedereen maakt er wel eens gebruik van.
Kleine kinderen zijn er goed in, met een stalen gezicht verzinnen ze ter plekke een leugentje om ‘wandaden’ te verbloemen, om aandacht te krijgen of omdat ze zich zielig vinden..
Bijna alle vaders, moeders en andere opvoeders zullen dit herkennen.
Als ouder heb je soms ook een smoes nodig.  Sinterklaastijd, slecht-volk-waarschuwingen, bijvoorbeeld . Daarbij is het belangrijk  een heel goede te verzinnen om niet verdoemd te worden wanneer de kinderen achter ‘de waarheid’ komen.
Op school hadden de meeste smoezen betrekking op te laat komen,  in de brugklas in Zaandijk werd gewoonlijk verwezen naar ‘de brug stond open’ en bij nietgemaakt huiswerk was het ‘geen tijd wegens te lang wachten voor de brug’.
Strafwerk volgde steevast; er waren daar zoveel bruggen dat je er rekening mee diende te houden. Dan was er nog  ‘fiets kapot’,  ‘bus/trein te laat’ en één keer zei een  jongen: ‘de meid heeft me niet geroepen’.  Grote hilariteit in de klas, temeer toen bleek dat er inderdaad van een dienstmeisje sprake was.  
Eenmaal beland in Oost-Brabant kon ik niet met openstaande bruggen aankomen, hoogstens was het druk op de weg tijdens de bietencampagne.  Maïs- gladiolen- groente- en aardappelrooi telden absoluut niet mee,  daarop kwam dezelfde reactie als die in Zaandijk: dit is geen excuus
Doordat ik intussen gegroeid was tot een principiëel niet-liegend pubertje,  zei ik gewoon de waarheid  toen ik eens  -voor de hele klas natuurlijk- op het matje geroepen werd: ‘we zaten zo gezellig na het eten’.  Stoïcijns onderging ik het gelach.   Toch verbaasd, dit was wat het was en nu werd ik niet geloofd.
Een goeie smoes was wijzer geweest.
In de jaren erna ging het om een heel ander soort smoezen. Daarover later.