De weg kwijt


We hadden een Tomtom en een Garmin.
Ik zette ze naast elkaar en reed naar het noorden, benieuwd of ze precies gelijk werkten.
Vergeet het maar.
Dat spul was toen al zo geavanceerd, het deed niet onder voor mensen. Eer dat we het dorp uit waren hadden ze ruzie.
‘bij de volgende straat linksaf’
‘welnee, U moet rechtdoor’
‘links’
‘rechtdoor
Ik gaf ze beiden een tik.
Even later.
‘na drie kilometer de A73 op’
‘drie-en-een-half’
Ik zweeg. De kemphanen ook, verbolgen.
Na een paar kilometer kwam een pompstation in zicht en ik tankte, bij het wegrijden adviseerde de een:
‘Neem bij de volgende oprit de rechter rijbaan’.
Prompt kwam het antwoord
‘Tssss, en dat noemt zich navigitor…’
Ik zette ze uit, stelletje saggerijnen.
Op eigen houtje kwam ik in de beoogde plaats waar ik de juiste straat zocht. Ik zette Tom T. en Garmin weer aan.
Meteen begonnen ze gelijktijdig te kwekken, in keurig accentloos Nederlands.
‘Tweede straat, niet waar, welles, je weet er niets van, rot op…’
Toen ik uitgelachen was vond ik zelf de juiste weg.
==

(Bijna-)zomertuin.


Het is lekker buiten. Weliswaar weinig zon maar het voelt niet koud en de regen viel vannacht al.
Aandachtig speur ik  de natte grond af naar groene punten, gooi er hypnotische krachten tegenaan en warempel, hier en daar verschijnt er een.
Bladeren verstrengelen zich
Een rozentak wringt zich door een buurplant, verderop nestelt een Siberische lis in de varen en ontfermen een paar siererwten zich over een andere roos. De campanula doet ook mee, zoals gewoonlijk bemoeit die zich overal mee.
Elk jaar zie ik het gebeuren, een paar groepjes staan te dicht opeen en kunnen elkaar niet ontlopen. De ruimtes groeien dicht.
Veelkleurig als Europa behalve dat ze geen ruzie maken, je zou er weemoedig van worden.

Er zitten ook eenlingen tussen.
In de hoek waagt een ui zich aan de oppervlakte, de rest wacht af hoe het uitpakt. De pioen heeft veelbelovende knoppen. Vroegerikken worden al wat kaal.
Enkele zielenpoten in potten doen niks ondanks de good vibrations die ik ze stuurde, ze geloven er niet in.
Daarentegen groeit de druivenklimop alsof hij de wijn al proeft.
Al met al een levendig wereldje op een handvol vierkante meters.
==

Blupblup! Blup?

Wat de klimaatverandering betreft vind ik de stijging van het water het meest bijzonder. Daarbij is er het inklinken van de bodem.
Een combinatie die aan afgesproken werk doet denken, het ondersteunt elkaar.
Land zegt ‘Ik wil zo graag eens de diepte in, naar   Atlantis
Ok,’ antwoordt Water, ‘ik zal je helpen.’
Een voorbeeldig staaltje van vredelievende samenwerking.
Of zou het ruzie zijn?
‘Waarom knabbel je aan mijn dijken, jij hebberige natlap?’
    –‘Kop dicht blubber, of ik overspoel je vandaag of morgen met al je rafelige dijken.’
‘Verdwijn!!’
    –‘Dat doe je zelf al, dom kalf.’
Zo zal het waarschijnlijk niet gaan. Nog nooit hoorden we ze met elkaar communiceren en we brachten heel wat uren door in modderplassen en -sloten.
Maar toch, die gassig-borrelende prutplakken die af en toe kwamen bovendrijven, dat was misschien hun manier van spreken.
Achteraf een eng idee.
De modderbullebak bestond dan ècht…
Ik ga nooit meer zwemmen in natuurwater.
==