Weg

Ik moet iets bekennen.
Soms wil ik weg. Zomaar. Gewoon opstaan en de deur uit.
Het waarheen is geen vraag. Het waarom nog minder.
Ik doe het nooit.

Als tiener deed ik het wel eens, meestal na een ruzie die als smoes kon gelden. Witheet trok ik naar boven en propte een tas vol met ondergoed, schriften en restjes zakgeld en vertrok op de fiets. Die zagen me nooit meer terug, gromde ik.
Pa, moe, broer en zus grijnsden me na.
Helaas woonden we in een tieneronvriendelijke omgeving, dooie dorpen met hier en daar een café waar ik niet aanklopte omdat ik te weinig geld had en in de bermen durfde ik niet te slapen. Voor enge beesten was ik altijd al bang.
Uiteraard kwam ik terug, de deur was nooit op slot..

Nu heb ik geen ruzies nodig om weg te willen.
Ook word ik niet witheet genoeg om tassen vol te proppen, als ik weg ging zou ik alleen geld meenemen.
Waarom wil ik dat dan?
Dat weet ik niet, eerlijk niet.
Maar ik wil het.
=

Paddestoelen

De eerste dit jaar, hier althans.
Op een onverwachte plek, een droog stukje zanderige grond op het zzw en waar regen nooit blijft liggen.
Misschien speelt het mee dat ze rondom de stronk van een afgezaagd  boompje zitten, ik raad maar wat.
Ze zien er best mooi uit, dik en mollig, je krijgt trek in champignons.
Nu de kabouters nog.
Je vraagt je af van welk kleinsoortig ras die zijn de maat van de paddestoelen in aanmerkig genomen.
Toch es opletten wanneer ik ze tegenkom.