Onderzeeërs

Het idee van die boten deed me als kind al gruwen.

Nergens heen te kunnen, de eenzaamheid, geen hulp te verwachten. Hoeveel paniek en angst kan een mens verdragen? Dat zullen we nooit weten.
Hier dacht ik aan bij het lezen over de verongelukte Argentijnse duikboot
Een gebeurtenis, onvoorstelbaar afschuwelijk.

In oude avonturenromans lazen we akelige dingen. Duikersklokken waarmee geknoeid was, zeemonsters die zuurstofkabels doorbeten, raketten die uit koers raakten, tanks die uitbrandden.
Het is de gedachte aan het opgesloten zitten en niet kunnen vluchten, wat zo beangstigend is. Claustrofobie in megaformaat.

In werkelijkheid zijn er echte mensen gestikt in echte boten en echte tanks.
Je kunt je niet voorstellen dat iemand in een dergelijk voertuig durft te stappen. Toen een van zus’ vrijers een zeeman bleek te zijn die in in een onderzeeboot had gevaren duurde het even voor ik hem accepteerde. Zoiets engs, iemand die zich willens en wetens liet opsluiten, dat moest een rare man zijn.
Hij lachte er om. ‘Het gaat meestal goed, ik ben er toch nog?’
Plagerij waar ik nooit om kon lachen.

Verveeld verhaaltje

Het meisje verveelde zich altijd.
Er was niets dat ze graag deed. Baantjes, clubs, stappen, ze meed het.
Soms ging ze de straat op, maar ook daar was niets wat haar kon bekoren. Meestal ging ze vroeg naar bed, gapend van verveling.
Ze probeerde de sleur te doorbreken door samen te wonen met een man,  toen met een vrouw,  daarna met alletwee tegelijk om uiteindelijk weer alleen te blijven want het was een suffe beweging.
Ze besloot te gaan reizen. Het hielp niet. Gedoe met folders, boeken, bagage, inchecken, hotels en meer hing haar direct al de keel uit en ze kocht zich een eigen raket.
Daarmee vertrok naar bijna eindeloze verten in het heelal en ontdekte onderweg een paar spannende nieuwe planeten. Mooi, maar het spelletje van exploreren en exploiteren werd al gauw een gewoonte en ze richtte haar aandacht op de hemel.
Helaas, die was afgesloten.
Ze kwam er niet in, de portier was duidelijk geïnstrueerd:
GEEN TOEGANG VOOR LEVENDEN. Heel vervelend.
Ze haalde de schouders op en zette koers naar beneden, aarzelde halfweg even bij het vagevuur maar toen ze de saaie bedoening zag van geen-vlees-en-geen vis racete ze regelrecht naar de hel, bekeek de baas van het spul en de bewoners.
Ze vond er niets aan; is dat alles, dacht ze, een doorlopend brandje? Nou, dan kon ze net zo goed naar huis gaan en een pak lucifers aansteken.
Intussen voelde ze de jaren. Ze nam haar intrek in een bejaardenhuis.
Al niksende werd ze erg oud.
Op haar éénhonderdenzevende verjaardag las ze geërgerd het zoveelste duffe telegram van de koning en verzuchtte, ‘Gatverdarrie, ik verveel me dóód.’
En ze stierf.
De begrafenis was een dooie boel.
©