’t Is een vreemdeling zeker.

Een man neemt plaats in de dokterswachtkamer.  Hij ziet er opgeblazen uit, pafferig en pompeus tegelijk.
Rondkijkend merkt hij dat elkaars kwalen besproken worden.
Veel klachten lijken simpel. Verstopte neus, gipsen been, een kind met buikpijn, ze stellen niet veel voor maar het maakt hem niets uit. Hij heeft geduld en luistert naar alle verhalen. De tersluikse blikken zijn duidelijk, hij zal dra gevraagd worden. Een onbekende met een breed gzicht moet wel iets aparts zijn, verwacht hij.
De vrouw naast hem neemt het woord. ‘En wat heeft U, meneer?’
‘Een dik hoofd, mevrouw.’
De overige patiënten knikken bevestigend maar zeggen niets, ze wachten op de reactie van de woordvoerster.
‘Aha,’ zegt deze. Ze strijkt onwillekeurig over haar haar. ‘Hoe komt dat?’
‘Er zit een kolder in.’
‘Oh, echt waar?’ Weifelend schuift ze haar stoel een stukje op. Je weet maar nooit.
‘Nou en of.’
‘Goh, dat is ook wat.’ Ze schuift nog verder weg. ‘Wat moet de dokter daar aan doen?’
‘Een briefje voor de psychiater, U weet wel, graafwerk in de geest.’  Zijn ogen staan verwaand.
De vrouw slikt. ‘Dat zal een hoop gespit worden,’ zegt ze met een blik op zijn grote wangen.
De man toont zich gevleid. ‘Ja mevrouw, daar reken ik ook op.’
In daaropvolgende stilte kijkt men elkaar gegeneerd aan.
De dokter verschijnt: ‘Volgende patiënt.’ Allen wijzen opgelucht naar de bolle.
Ze wachten zwijgend tot de man zich weer laat zien.
Triomfantelijk houdt hij een verwijsbrief omhoog. ‘Afspraak met de neuroloog,’ legt hij uit, ‘waarschijnlijk heb ik een van de grootste kolders die hij ooit heeft gezien.’
Verbouwereerd staren de wachtenden hem na.

(Oud verhaaltje teruggevonden) Een arme narciste

‘Het is zo lastig,’ vertelde zij  de huisarts, ‘almaar je nek te moeten verdraaien, in etalageruiten, spiegeldeuren, grote zonnebrillenglazen, schermen van televisie en laptop en tablet, overal moet ik mezelf bewonderen; links en rechts heb ik een zere nek en mijn ogen gaan soms uit eigen beweging heen en weer, weet U wel hoeveel afbreuk dat doet aan mijn schoonheid…. ‘
De huisarts  bekeek haar nek en zag dat haar ogen inderdaad vreemde bewegingen maakten, haastig  schoten ze naar de ooghoeken en terug.
‘Hm, tja, een psychiater kan U misschien helpen.’
‘Oh god nee,’ riep de narciste, ‘die neemt me mijn grootste genot af. Help me liever met mijn nek en ogen.’
Nadenkend bladerde de huisarts wat in zijn papieren. ‘Heeft U,’ vroeg hij,  ‘wel eens gedacht aan een carrière bij de televisie?’
‘Ja hoor, maar ik kan niet acteren, niet presenteren, zingen of zelfs maar meedoen met spelletjes. Het enige wat ik kan is mezelf bewonderen.’  Intussen keek ze aandachtig naar zijn ogen waarin ze haar gezicht zag, piepklein maar zo mooi dat ze ervan zuchtte.
‘Dat is ook niet nodig, U hoeft alleen maar te zijn en af en toe een woordje na te zeggen.’ Hij schreef iets op een blaadje. ‘Mevrouw, belt U dit nummer. Deze man kan U opleiden tot tv-babe. Veel succes!’
Zij ging en belde.  Ze mocht komen voor een auditie. Ze deed enorm haar best en bekeek zich met grote aandacht op alle monitoren, de ernst spatte uit haar blikken waardoor ze imponeerde en mocht blijven.
Ze werd een groot succes. Nu hoefde ze niet meer haar nek te verdraaien, haar beeltenis verscheen op alle plekken waar ze keek, ook haar ogen pasten zich aan.
Ze werd een rijke narciste met nog maar één klacht.  ‘Wat als ik oud word?’

© Bertie