Buur Kat wordt te eigen

Hij doet net of hij thuis is. Dat doet hij overal.
Eigenlijk vind ik het wel lollig maar hij moet niet te bazig doen.
Ik houd er niet van als hij voor de koelkast zit en wijst. Commando’s tolereer ik niet.
Hij loert op mijn voordeur om binnen te komen, ongeduldig trappelend wenkt hij iedereen die voorbij loopt, fietst en rijdt, ‘schiet eens op!’
Vanmiddag kwam de kapster, ontdaan wees ze op Kat die tussen haar voeten meeschoof. Ze is bang is van katten in het algemeen en van Kat in het bijzonder.
Ik duwde hem, zijn protesten negerend, de achterdeur uit.
Opgelucht begond de kapster aan mijn haar maar werd opnieuw zenuwachtig van Kat die buiten voor het achterraam zat en naar binnen keek, uiterst misprijzend.
Zoiets doet hij nu altijd als hij zijn zin niet krijgt.
Vanavond liep hij weer met me mee en zette zich demonstratief naast de kelder. Ik negeerde hem.
Na een paar minuten mauwde hij. ‘Honger!’
‘Je hebt al worst gehad,’ riep ik terug.
Hij broedde op een antwoord en mauwde opnieuw. ‘Ik lust ook kaas,’
Toen tilde ik hem op en schrok van zijn gewicht. ‘Je wordt moddervet, je moet niet overal eten halen, schooibeest,’ maande ik en zette hem buiten.
‘Waar bemoei je je mee’  snauwde hij nog.
==

Papa wandelde.

Hij werd gevonden in de rivier,  bij een van de pijlers van de spoorbrug. De huisarts zei niet veel meer dan ‘Waarschijnlijk sprong hij zelf.’
Mama was sprakeloos.
Na de begrafenis verbrak ze de stilte
– Waarom deed hij dat nou? Hj had niets te mopperen. Zijn kleren altijd verzorgd, eten op tijd klaar, huis gepoetst…. –

Zo vraagde en klaagde ze, overtuigd van haar schuldeloosheid.
Dochter zweeg, dacht aan papa’s protesten en mama’s antwoorden.
Hij wilde graag een strandvakantie (als jij zo nodig naar zee wilt ga je maar alleen), hekelde de gescheiden slaapkamers (ieder een eigen kamer is hygienischer), zou in een restaurant willen eten, (nergens voor nodig, ik kook zelf), af en toe een borreltje drinken (met verjaardagen krijg je toch een biertje?).
Mama nam alle besluiten op de enige manier die ze kende, die van haar. Met stellige uitspraken waar haar man op de duur niet meer op reageerde.
Hij eiste alleen nog een paar uur in de weekeinden. Om te wandelen. Het liefst alleen.
Ondanks haar geschamper (zonderlingen doen dat ook) liep hij, zaterdags of zondags, bij mooi en minder mooi weer, tot hij voorgoed wegbleef.

Waaraan dacht hij in die eenzame uren, vroeg dochter zich hardop af. Aan de zee?
Mama keek haar verstoord aan. Ongeweten geestig was haar antwoord.
– Hij zal met de stroom mee hebben gewild.-