Ben er weer


Of nadenken helpt bij een probleem?
Het ligt eraan. Constructief denken vind ik moeilijk, het ontaardt al gauw in gepieker. Toch ben ik er iets mee opgeschoten.
Het is een cliché om dingen ‘op een rijtje te zetten’ maar het werkt. Nu weet ik ongeveer waar knoop A zit en waarom B niet aansloot, daar zat C tussen met D in het kielzog enzovoorts enzoverder. Goed dat er een alfabet is, handig bij het benoemen.
Enfin.
Ik ben er nog niet helemaal uit maar ga verder rmet bloggen en het lezen van bloggers. Dat miste ik.
Het is teveel om alles in te halen, ik ga gewoon beginnen bij wat ik vanavond binnenkrijg.

Aan de grote vraagstukken waagde ik me ook eventjes, altijd goed als afleiding.
Alleen jammer dat het te moeilijk is.
Ik weet nog steeds niet of ik denk omdat ik ben of andersom.
Nog minder waarom we hier zijn en welke god de juiste is, ze staan me geen van allen aan. Geef mij maar de Griekse goden, die maakten er tenminste een gezellig potje van pervers als ze waren maar ja, daar waren ze bovenmenselijk voor.
Ze zijn geschapen naar een gestoord mensbeeld terwijl wij, simpele roomsen, leerden dat we naar een godsbeeld geschapen zijn en wat zegt dat over ons en over die goden en… en…

Laat maar zitten
We schieten er niets mee op, we hebben geen filosofie gestudeerd.
Neem het dus niet serieus en mij ook niet.

Advertenties

Kwestie

In mijn allereerste weblog schreef ik makkelijk. Naïef, onnozel soms.
Onbekommerd gaf ik mijn mening op wat me de meest geschikte plek leek: mijn eigen Bertjens.
Dat viel tegen.
Bij een paar onderwerpen kreeg ik zoveel verontwaardigde antwoorden dat ik verontwaardigd was over de verontwaardiging.
Blijkbaar stelde ik mijn ideeën te hard. Tegendraads.
Ik schrok er van en hield me in het vervolg rustiger.
En nu?
Van de gemiddelde mening trek ik me niets meer aan.
De vraag is over welk onderwerp ik me druk moet maken.
Er zijn er zovéél, ver van je bed en dicht bij huis.
Het is moeilijk kiezen en daarom houd ik het bij een eenvoudige:
zal ik een witte of een rode wijn nemen?

Sportdag van de spinnen. Vierde en laatste deel.

Ze weven grapteksten tussen de takken.
‘ET in Spinnenland’, ‘The Martians are coming’. Kinderen doen mee: ‘Gremlinspider voor Sinterklaas.’
De mens, zich niet bewust van de commotie boven zijn hoofd, drentelt ongeduldig heen en weer; hij vraagt zich af wanneer er een ruimteboodschap komt en gaat zelf op onderzoek uit.
Hij speurt in alle richtingen en bukt onder struiken, tuurt herhaaldelijk de hemel af maar niets verwijst naar een UFO, helemaal niets valt er te ontdekken.
Mijn god, hij heeft zich vergist.
Wat nu.
Hij kan het het beste als een grap afdoen. Niet dat Lies het als zodanig zal zien. ‘Geen bewijs = roze olifanten’ zal ze snebbelen, haar gebrek aan fantasie is grenzeloos. Wat een vooruitzicht. Kon hij zijn berichten maar terugdraaien.
Hij kijkt naar de spuitbus in zijn hand; na een steelse blik over zijn schouder draait hij het bovenstuk los en neemt een snelle slok, ahhh, dat doet goed. Met verlicht lood in zijn schoenen loopt hij naar zijn auto en rijdt naar huis.
Opgelucht zien de spinnen de jammerlijke afgang van de mens. Ze bungelen uit de takken en spannen de spieren om het sportveld te restaureren maar een van hen roept.
‘Hela, wacht. Het is tijd, Araneae aller landen: verzáááámelen!’
Een wild gejoel volgt, ze rennen door elkaar, huppelen en springen, ze vergeten het sportgedoe en klitten rond de spreker.
‘Luister. Over een half uur is de zomer voorbij, hoogste tijd om serieus te worden. Ieder kent zijn werkgebied en denk eraan: gedraag je netjes, handel als een gentlespider of wees ladylike.
Over drie maanden geef ik het eindsignaal en zien we elkaar op het uitrustveld waar…’  hier veroorlooft de spreker zich een draadje humor ‘… hopelijk mens noch UFO ons zal vinden. Laten we nu gaan, Ariadne zij met ons”.
En zo luiden ze de herfst in.