Vlieg

Er zat een vlieg op tafel. Aart haalde uit en mepte naar het beest dat net op tijd opvloog, toch nog geraakt werd en spartelend in de boter  lag.
Aart sloeg nog een keer. Deze keer lag de vlieg verstild. De boterkuip was er ook slecht aan toe, plat geslagen met spetters in de hagelslag, op de kaas, aan het plafond.
–  Wat een troep, jammerde Jans.
Aart gromde slechts.
Plots zagen ze beweging n de boter, de vlieg kwam op, wurmde zich pootje voor pootje omhoog.  Even bekeken ze de strijd van een reeds doodgewaand beest.
Woest greep Aart opnieuw de mepper, stond op en hoog aanhalend timmerde hij op de boter, de vlieg missend die redding zocht onder de theemuts. Aart greep de muts, vlieg vloog op en als hij kon had Aart ook gevlogen. Nu nam hij de theepot en wierp hem naar de vlieg.
Die zat op het plafond, de plens thee deerde hem niet. Pootjewrijvend kroop hij naar de lamp.
Jans jammerde harder, ‘Aart, Aart’ roepend, ‘hou op!’
Aart was niet meer te stoppen ondanks Jans’gejammer.
Met een stoel gooide hij de lamp aan diggelen. Daarna het voorraam,
broodrooster, zigzaggend vloog het beest door de woning met Aart achter zich aan, samen een ruïne achterlatend tot ze beiden buiten waren.
De vlieg was verdwenen. Aart stond met lege handen.
Toen gaf hij Jans maar een mep.
Omdat ze zo mekkerde.
==