Overdenken. Over denken.

Heb jij niets te doen?
Jawel, dat zie je toch.
Wat dan?
Ik denk na.

Het was een typische ouderwetse moedervraag. Die ik -onnadenkend- zelf ook wel eens stelde.
Meestal werd het antwoord niet serieus genomen, niet erkend en vaak ook niet herkend.
Het werd niet overal aangemoedigd.
‘Denken laat je maar aan mij over.‘ Of aan een paard , de kat, vul maar in.
Op school kreeg je te horen dat je zat te dromen, terwijl je in werkelijkheid in diepe gedachten verzonken was.
Op je werk mocht je alleen denken als het goed was voor de baas, efficiency en zo, of hoe de lopende band sneller kon.
Voorstanders bestonden natuurlijk ook, er waren ouders, onderwijzers, chefs, professoren, handige verkopers en anderen die het denken wel degelijk bevorderden. Tenminste, dat hoopte ik.
Nu denk ik dat er niets veranderd is. Dat nadenken nog steeds een dubieuze aangelegenheid is.
Het word niet altijd begrepen.
Een nadeel van denken is dat het zo onzichtbaar is.  We hoeven er niet bij te gaan zitten als Rodin’s beeld maar een kleurtje of een ander duidelijk kenmerk lijkt me handig.
Diepbeige, interessant roze, licht purper. Daarmee geef je tevens het sóórt denken te kennen. Aan de kermis bijvoorbeeld, blauw met sterretjes.
Een diepe denkrimpel in de vorm van een vraagteken lijkt me ook wel wat. Doet intelligent aan, net of je echt denkt.
Je ziet meteen: hier werkt een brein.
Een ernstige gezicht is niet genoeg. De meeste politici kunnen dat opzetten maar het is geen garantie voor een denkvermogen.
==

Advertenties

Bril


Leesbril kwijt, dan valt er niet te tabletten. Nou ja, bij de laptop ligt een andere.
Daar viel telkens een glas uit, verdorie. De volgende, uit de keuken.
Geloof het of niet, de steker brak af, nou zeg, ze moeten me wel hebben. Nog één kans en dat is de bril naast bed.
Wat, ook al kwijt? Nee, geplet tussen matras en ledikant en, natuurlijk, gebroken.
Vier exemplaren en niet kunnen lezen, hoe krijg ik het voor elkaar.
Zonder leesbril ben ik onthand, alleen krantenkoppen en grote letterreclame begrijp ik. Op de laptop is tekst te vergroten maar op een minischermpje is dat ondoenlijk met lange zinnen.
Van alle gewoongeworden dingen is de leesbril (en -loep) een van de beste uitvindingen.
Stel je voor, nooit meer te kunnen lezen en puzzelen, een ramp, ik zou de laatste cent overhebben voor Drion.
Handwerkers en -sters zijn uitgehobbied, veel mensen van middelbare leeftijd stoppen met werken, knollen worden voor citroenen verkocht, politici tekenen verkeerde wetten, lesgeven is alleen voor veertigminners, je koopt de verkeerde wijn of een rare jurk,  de lijst is eindeloos.

Enfin, met de verrekijker kroop ik in en door en onder alle hoeken en stoelen en vond uiteindelijk de zoekgeraakte, de ene die nog heel is.
Nu kan ik de andere drie repareren.

Warrig brein

Laatst zat ik te denken.
Lach niet, het lukt wel eens al moet je je er niet teveel van voorstellen, gedachten gaan zozeer hun eigen gang dat je eerder kunt spreken van een zootje. Maar ik denk, hoe dan ook.
Ik krijg ideeën waar ik niets aan hebt maar die me wel bezighouden.
Dat is nuttig, op school werd je niet voor niets gewaarschuwd dat je je hersens moest gebruiken, bij weigeren was een waardeloos leven je voorland, de goot was nog het minste.
Om je hersens  te beheersen kreeg je vakken waarbij je moest  nadenken  -daar heb je het weer –  en, eh,dit is zo’n gedachtenzijgang. Wat moet ik ermee.
Een denkstuur zou handig zijn. Met een bel voor andere richtingen zodat je tenminste weet welke kant het op gaat. Of vermoedt.
De laatste tijd is de chaos groter dan ooit en wat me opviel was dat politici er ook last van hebben. Alle opties worden opengehouden want ja, mòcht je premier worden moet je met iedereen mee kunnen spelen en dan al die bochten waarin ze zich popi trachten te wringen. Dat moet wel kronkels opleveren.
Ik huiver ervan en, o ja, er staat nog wat lekkers in de koelkast. Hoe weten die hersens dat?
Het zal het avondeten zijn dat ik vergeten was.
Dat ik daar zelf niet aan gedacht heb.