Voorraam


De fleurige bloempotjes en -emmertjes in de rommelwinkels stonden me wel aan.
Ik zette ze her en der neer tot het verveelde.
Weggooien kon niet, ik verplaatste ze naar een lege plank. Stond best aardig, al die felle kleurtjes. Af en toe kocht ik er een bij tot de plank vol was.
Toen zag ik mensen stilstaan en naar ons raam wijzen.
Het duurde even voor ik begreep dat ze naar de bloempotjes keken die op de lege plank stonden, de vensterbank.
Echtgenoot lachte er om dus liet ik ze staan.
Nu heeft de zon ze verkleurd en is het een fletse bedoening geworden.
Maar ja, de rommelwinkels in het dorp zijn verhuisd naar verderopse plaatsen. Daar komen we niet vaak.
De kijkers zullen het met deze moeten doen.
Ik ook.
Waar een mens al niet door geplaagd wordt.
-=

Advertenties

Als je maar lang genoeg getrouwd bent ga je vanzelf op elkaar lijken.

Hij loopt met verkoudheidsverschijnselen.  Gaat naar bed en komt er weer uit; hangt op bank of stoel en staart treurend naar buiten. Herhaaldelijk grijpt hij met grote gebaren naar de stapel tissu’s  om neus- en keelverschijnselen op te vangen die hij  met aanstootgevende gretigheid opwekt. ‘Volgens mij heb ik een zware griep, waar is de thermometer?’
Dramatisch reikt hij naar de rol keukenpapier en dept, zwaar ademend, zijn gezicht, zijn hele hoofd en nek.
Een nieuwe hoestbui dient zich aan.
‘Uchchchhgrrr, de zakdoeken zijn op, geef me een tafellaken…
ik lust wel een zacht gekookt eitje, schijnt te helpen bij griep.’

Zij loopt met een gevoelige rug. Als een plank beweegt ze naar een keukenstoel, rijst weer op en sleept zich naar de pc. Ze diept vanuit haar tenen een zucht op en rolt met de bureaustoel naar de koffiepot. Reikt, zielig, niet ver genoeg. ‘Ik kan er niet bij, help even, dank je’.
‘Wat een ellende,’ kreunt ze.
Met een lijdzaam gezicht strompelt ze door de kamer, wankelend valt ze in een leunstoel en schrikt weer overeind. ‘Au…die onverwachte bewegingen, het is vast spit. Mijn god wat word ik bezocht.’
Ze zakt door de knieën, kruipt hijgend naar de keuken; de laatste meters doet ze in tijgersluipgang.
Bij de koelkast gaat ze staan.
‘Ik kan ook wel een zacht eitje gebruiken.’

Staatsloterij. Trekking 10 oktober.


Ze lagen niet op de vaste plek.

Ook niet er vlak naast. Erachter. Op de plank daarboven.
Zul je net zien: valt er een goeie prijs op, zijn ze kwijt. Of is het andersom?
Kan je ze niet laten zien bij de verkoper, word je niet geloofd, ga je het half miljoen missen, kom je getraumatiseerd bij de huisarts die niet weet wat hij met je aan moet, stuurt je door naar een riagg of zoiets, krijg je een assistent van de hulp van de invaltherapeut die je verwijst naar een opvangcentrum, valt een oversekste  gerontofiel je aan…..  mijn god.
…….
Ze zijn terecht. Ik win € 3,50.