Hersenen en zwezerik

Onlangs sprak ik de vrouw van wie de man graag gebakken hersenen at. Het was een feestmaaltje voor hem.
Ze haalde herinneringen op. ‘Hij heeft er tot zijn dood van gesmuld en vond het jammer dat de rest van het gezin de keuken uitliep als hij ze weekte en bakte, zelfs de uien konden het niet goedmaken. En het stonk ook nog.
Ik heb ze nooit geroken en er ook geen behoefte aan.
Wel weet ik nog hoe ze eruitzagen, zwemmend in een plastic bakje, bij de slager. Net als op het plaatje maar bloederiger en vellerig, als een tros aangeschoten wormen. Veel klanten trokken een vies gezicht.
Het was het idee dat tegenstond, orgaanvlees is al niet aantrekkelijk maar dit lijkt het ergste.
Bijna,  zwezerik , de gedachte aan een kind op je bord vind ik nog akeliger. Pervers eigenlijk al weet ik dat het onzin is.  Sterker, het werd beschouwd als een luxe lekkernij.
Maar wie weet hoe smakelijk het is. En hoe we zouden oordelen in tijden van hongersnood.
Voordat iemand zich aan het eten van deze vleessoorten waagt is het lezen van  dit stukje over hersenen  van Johannes van Dam misschien interessant. Het is het weten waard.
Voor beginnelingen: in het oude kookboek staat een eenvoudig recept.
Eet smakelijk, wie weet word je er pienter van.
Advertenties

Huishouden. Een vak apart.

Een niet al te pienter meisje trouwde. Daar ze niets wist van huishouden bezocht ze dagelijks haar moeder voor advies.
Dat was hard nodig.
Haar eerste portie aardappelen was niet te eten.
-Droog stomen, zei moeder, dan worden ze smakelijker.
Het meisje zette ’n pannetje water op, wachtte tot het flink dampte en deed  er de aardappelen in. Het stoomde en stoomde, het water verdampte en het stonk vreselijk. Terwijl haar man de keuken bluste rende ze huilend naar haar moeder.
–Weet je wat, zei die, hou jij je maar bezig met de was dan kom ik wel voor jullie koken.
Ook deze raad werd nauwgezet opgevolgd.
Het niet al te pientere meisje was wekenlang doende met de was; ze droogde en streek en waste tot alle kleren versleten waren en zij en haar man in lompen gehuld gingen.
Weer greep moeder in.
–Ga je huis maar poetsen, raadde ze, en doe tussendoor een  paar boodschappen.
Het meisje ging onmiddellijk aan de slag en poetste de kamer, de keuken, de kelder en alle andere vertrekken en daarna de buitenkant en de schoorsteen en de dakpannen.  Af en toe liet ze haar emmer zeepsop in de steek om naar de buurtsuper te gaan. Dan kocht ze zes liter Ajax en twaalf dweilen, of zeventien sponzen, zich verbazend over de snelle sleet.
Het werd werkelijk een onhoudbare toestand. De hele straat liep uit en keek hoe ze de regengoten sopte en de voorgevel stofzuigde en de dorpstherapeut vermoedde een onverwerkte relatie met de stofdoekenmand, kortom, het werd een bespottelijke vertoning tot de burgemeester een samenscholingsverbod uitvaardigde en de moeder opriep.
Die liet, ten einde raad, het huwelijk ontbinden en stuurde haar dochter naar ’n klooster.
En daar zit ze nu nog.
Echt waar.