Zweet

In de loop van de middag begon het. Een nare geur.
Beetje rottig luchtje, zeg maar gerust een meur.
Iets als oud okselzweet, gekoesterd en nooit weggewassen.
Natuurlijk zocht ik, vond niets, zocht opnieuw en na de derde ronde had ik beet: de helft van een rauwe ui, onverpakt in de pedaalemmer. Ik moet ver weg zijn geweest met mijn gedachten.
Het deed me denken aan een winkel van vroeger, een kruidenierszaakje waar van allerlei verkocht werd.
Zus en ik haalden er niet graag boodschappen vanwege de doordringende transpiratiegeur die uit de verkoopster kwam, ik weet niet van welk lichaamsdeel of kledingstuk. Wie weet werkte ze hard, had ze last van het zweet des aanschijns of iets dergelijks.
Mijn moeder vond ons lastig, ‘een ijverige vrouw’ zei ze maar dat ze steevast een van ons stuurde was veelzeggend.
Nog zie ik me staan, net binnen de winkeldeur riep ik de bestelling: 1 pak koffie alstublieft en een fleskoffiemelk. Opschrijven voor S.
Dan liep ik snel naar de toonbank, griste met gerekte armen de spullen en rende ‘doeg’-roepend naar buiten. Zus had een andere manier. Ze deed net of ze een drukke praatster was en wapperde met haar handen de lucht schoon bij elk woord dat ze zei. Niet dat het hielp.

Deze dingen overdenkend leegde ik de riekende pedaalemmer en luchtte de keuken door de buitendeur open te zetten, ook hier was wapperen niet voldoende.
Hoe het de verkoopster vergaan is weet ik niet.
Petrus heeft haar denkelijk op een buitenwolk gezet, met een waaier.

Advertenties

Bezoek aan Petrus 1

Aandachtig rondkijkend dwaal ik door de hemel. Het is er doodsaai.
Petrus tikt me op de schouder.
– Je bent te vroeg, mens.
O, zeg ik, ik wilde even checken of braaf zijn de moeite loont.
– En?
Nee. Er is hier niets te beleven, al die goedheid maakt me nerveus.
Beledigd pakt hij me op en gooit me eruit.
Opgelucht land ik op mijn bed.
Dit had ik als kind moeten weten, nooit meer braaf zijn, wat een feest.