Jannes’ euthanasie.

Jannes luierde op zijn wolk en gaapte zo luid dat Petrus appte: kan het wat minder? We hebben een naam hoog te houden.
Jannes haalde de schouders op. Fatsoen was niet meer zijn pakkie an.
Hij draaide zich op zijn buik, de verveling was niet te harden.
Rondom zag hij overledenen jarenlang klem zitten in vastgeroeste verwachtingen van eeuwige jachtvelden, rijen maagden, vage nirwana’s, Elyseïsche velden en wat er ook maar beloofd was.  Wat hadden ze verwacht? Actief doodzijn? De sukkels.
Hij krabde een kijkgat in zijn wolk voor de Blik Op Aarde.
Hm, interessante hemelvaarders waren wel aardig, spraakmakende reïncarnaties ook en de doorgewinterde prostituee in het lijfje van een biggetje was ronduit absurd.
Tot nu.

Jannes had er genoeg van, Petrus kon de pest krijgen met zijn fatsoen. Hier had hij niet om gevraagd.
Hij diende nogmaals een verzoek in: mag ik nu definitief dood?
Het mocht.
En hij ging.
==

Naar de hemel? Dat ligt eraan.

Na lang zoeken bevind ik me in een saaie wolkenbuurt die voor een grote poort ligt. Weinig indrukwekkend. Geen engel, doodse stilte.
Zou ik het doen? Aanbellen? Als ze me maar niet wegjagen.
Ik doe het, ik wil een antwoord.
Gramstorig komt een norse kerel naar de deur. Petrus.
Je hoort hier nog niet. Dom mens.
Nou zeg, zijn dat hier de manieren?
Houd je in, maan ik mezelf en vraag – Is God zelf aanwezig?
Niet voor de levenden, gromt de man. Waar gaat het over?
– ik wil weten of braaf-zijn de moeite loont.
En? blaft hij.
– ’t Is hier waardeloos.
Hij pakt me beet, zwaait een paar keer en gooit me neruit.
– Val me niet meer lastig, jij!
Opgelucht land ik op mijn luie stoel. Wat een knoest, voor die hemel ga ik me niet meer uitsloven. Braaf zijn, het mocht wat.
Bevrijd keur ik de nieuwste xtc en open de cognacfles. Daarna vloek ik de buurman stijf en verkoop zijn valse hond een rotschop.
Het leven is vurrukkulluk.
==

Verdroogd


Dat de hosta’s en varen er zo zwakjes voor stonden besefte ik pas toen ik hun schrale krullen en vellen zag. Waarschijnlijk oud en der dagen zat.
Hadden ze iets menselijk zou ik hun bladeren verven en botox in het lijf spuiten in de hoop ze hiermee een laatste boost te bezorgen maar ze hoefden niet meer.
Ik heb ze regelrecht de kliko ingekieperd en ze met een schep aarde bedekt.
Het is goed zo †.

Ach ja, ook wij gaan, ooit.
Al hoop ik niet te eindigen in een verdroogde achtertuin met mijn voeten in het zand, weerloos tegen de zon. Een strohoed is het minste wat ze me kunnen opzetten. Maar dat weet je natuurlijk niet zeker met het personeelsgebrek in de zorg.
Ik speel met de gedachte een dergelijke hoed te beschrijven en bij de laatste wensen neer  te leggen, mocht er geen voorradig zijn mag een pet ook maar niet achterstevoren.
Stel je de situatie voor, Bertjens met die klep in haar nek. Huiver.
Petrus ziet me aankomen.

Verder deed ik nog meer in de tuin maar daar heb ik het niet over.
Eerst dat laatste beeld zien te verwerken.
De pet verkeerd om…
=

Kort lontje

Vanmorgen weer geen krant. De zoveelste keer en toen, nog wat na-ijlend van verkoudheid, werd ik overdreven kwaad. Woest blafte ik tegen de klachtenlijn, die zei niets terug wat me nog kwaaier maakte voordat ik op een stoel neerviel..

Het wordt tijd dat ik mijn lontje opnieuw laat verlengen.
Maar ik durf het niet meer te vragen.
Een paar jaar geleden kreeg ik al eens een nieuwe, dit zou de derde worden.Toen ik Petrus vanmiddag appte antwoordde hij dat ‘…een normaal mens zijn hele leven met één lont deed. En dat verzoek betr. je geheugen was ook al zoiets brutaals…’
Hij keek er zo minachtend bij dat er een barst in het scherm kwam. Meteen vloog ik op en wees: ‘Ziet U dat? Was dat nou nodig?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Zeur niet vrouw, je hebt zelf ook barstjes en meer dan een.’
Tja. Nou. Beschaamd bood ik excuses. Meteen was de barst weg.
‘En val me niet meer lastig,’ kwam er achteraan.
Eigenlijk heeft Petrus harder een verlenging nodig dan ik.
Nu zoek ik een andere ingang naar god, hij zal toch wel een achterdeur hebben?
In twijfel brieste ik, zachtjes nu.
Misschien moet ik meer geduld hebben, oefenen in verdraagzaamheid. Maar dat duurt zo lang, ik heb geen zin om heropgevoed te worden laat staan door mezelf.
Intussen gekalmeerd greep ik naar de de krant die er niet was. Berustend pakte ik de andere.
Hm. gele hesjes, nog steeds de pietenkwestie, Marrakesh-pact, staking Parijs en meer.
Waar maak ìk me dan nog druk om.
Petrus kan barsten.
==

Petrus speelt voor god

Zo af en toe ga ik op visite naar de hemel. Meestal met een /verzoek, deze keer had ik zin in een praatje.
Petrus fronste toen hij me zag. ‘Hallo,’ begon ik, ‘ik kom gezellig buurten.’
Aarzelend ging hij koffie zetten.
Langzamerhand ontdooide hij en haalde zelfs spritsen tevoorschijn.
‘Hmmmm, mijn lievelingskoeken.’
‘Dat weet ik,’ anrwoordde hij.
Daar keek ik van op. ‘Hoe kan dat nou, ik woon zo ver weg.’
Hij lachte gevleid. ‘Met een baas als de mijne leer je veel.’
‘Echt? Word je een beetje goddelijk.’
‘Nou, dat niet maar een paar van die kneepjes ken ik nu ook’
Opwindend! ‘Kun je die mij ook leren?’
Hij keek me aan, ernstig nu.
‘Nee, Bertjens, ik heb een eed op zwijgzaamheid moeten afleggen in verband met bedrijfspionage.Stel je voor dat iedereen er maar op los wondert en alles van elkaar weet. Dat moeten we niet hebben.’
‘Dat is toch juist goed? Geen stiekem gedoe meer, en…’ mijn stem stierf weg. Er zat toch een verkeerd kantje aan.
‘Niet zo onnozel denken Bertjens. Criminalteit gaat hoogtij vieren, het is niks. Tenslotte moet ìk ze beoordelen na hun dood.’
Een heftige reactie. Wantrouwig vroeg ik ‘Heb je dat helemaal zelf bedacht?’
‘Gewoon logisch denken. Daar heb ik de baas niet voor nodig.’
Ik piekerde. Dus god heeft eigenzinnig personeel. Dat is bekend van wat er op aarde rondloopt. Maar in eigen hemel?
‘Is je baas thuis? Ik zou wel eens willen weten hoe hij hier over denkt.’
Petrus dronk zijn kopje leeg en stond op. ‘Je moet gaan, ik heb het nog druk en mijn baas ook. Ik zal hem je groeten doen.’
Resoluut hield hij de poort open en bonjourde me weg.
Nou ja zeg, wat een vooruitzicht.
Klop je aan de hemelpoort, gaat de portier beslissen of je erin mag.  God had de sleutel beter aan een kloon van zichzelf kunnen geven.

Een vreselijk idee.
Ik ben blij dat het verzonnen is.

© Bertie

Zweet

In de loop van de middag begon het. Een nare geur.
Beetje rottig luchtje, zeg maar gerust een meur.
Iets als oud okselzweet, gekoesterd en nooit weggewassen.
Natuurlijk zocht ik, vond niets, zocht opnieuw en na de derde ronde had ik beet: de helft van een rauwe ui, onverpakt in de pedaalemmer. Ik moet ver weg zijn geweest met mijn gedachten.
Het deed me denken aan een winkel van vroeger, een kruidenierszaakje waar van allerlei verkocht werd.
Zus en ik haalden er niet graag boodschappen vanwege de doordringende transpiratiegeur die uit de verkoopster kwam, ik weet niet van welk lichaamsdeel of kledingstuk. Wie weet werkte ze hard, had ze last van het zweet des aanschijns of iets dergelijks.
Mijn moeder vond ons lastig, ‘een ijverige vrouw’ zei ze maar dat ze steevast een van ons stuurde was veelzeggend.
Nog zie ik me staan, net binnen de winkeldeur riep ik de bestelling: 1 pak koffie alstublieft en een fleskoffiemelk. Opschrijven voor S.
Dan liep ik snel naar de toonbank, griste met gerekte armen de spullen en rende ‘doeg’-roepend naar buiten. Zus had een andere manier. Ze deed net of ze een drukke praatster was en wapperde met haar handen de lucht schoon bij elk woord dat ze zei. Niet dat het hielp.

Deze dingen overdenkend leegde ik de riekende pedaalemmer en luchtte de keuken door de buitendeur open te zetten, ook hier was wapperen niet voldoende.
Hoe het de verkoopster vergaan is weet ik niet.
Petrus heeft haar denkelijk op een buitenwolk gezet, met een waaier.

Bezoek aan Petrus 1

Aandachtig rondkijkend dwaal ik door de hemel. Het is er doodsaai.
Petrus tikt me op de schouder.
– Je bent te vroeg, mens.
O, zeg ik, ik wilde even checken of braaf zijn de moeite loont.
– En?
Nee. Er is hier niets te beleven, al die goedheid maakt me nerveus.
Beledigd pakt hij me op en gooit me eruit.
Opgelucht land ik op mijn bed.
Dit had ik als kind moeten weten, nooit meer braaf zijn, wat een feest.