Morgen is het Dierendag (Vandaag dus)


Alle dieren, kattigen, hondstrouwen, ezels, uilskuikens, kippigen  en andere semi-dierlijken wens ik morgen een fijne dag toe.   Franciscus  zou het op prijs stellen, hij is de patroonheilige van het spul.
Dat er maar veel spekkies voor de bekkies worden geserveerd.
Geniet van de schattebouten en het huisvee zolang je jong bent, de tijd gaat vlug en voor je het weet word je zelf gevierd op de day after, vijf oktober is het nationale ouderendag 
Tot welke leeftijd moet ik die rekenen? Ik voel ik me nog steeds die snelle leeuwin al vang ik tegenwoordig minder prooien, of collega-ouderen dat ook hebben is me niet bekend.
Hoe dan ook, we zitten ermee.
Je vraagt je af of je er thuis iets aan moet doen, ik wed dat we zelf het gebak moeten leveren.
Ik waarschuw alvast, ouderen een strik om de nek binden of een stuk leverworst voorzetten  is not done. ‘Kijk eens oma…’
Ik hoef enkel een extra patatje met een kroket.
En een lekker dier in de pan.

Advertenties

Dromen in eigen beheer

De nacht nadert. Dromenman loopt rondjes om het bed, hij mompelt.
Wat wil hij eigenlijk? Waarom doet hij zijn werk niet?
Zenuwachtig van zijn gedribbel roepen we ‘Schiet es op, we willen slapen.’
‘Ogenblik, ik denk na over de vakantie. Doet U maar vast de ogen dicht.’
We wachten.
Na een paar rondjes  vragen we het nogmaals.
‘ Top!’ roept hij . ‘Ik ben er uit.’
‘En? Waar gaat U naar toe?’ vroegen we.
‘Ik fiets naar de Azoren en koop me een patatje.’
‘Echt waar? Met Azoorse  saus? Jammm.’
Jaloers kijken we hem na als hij door het voorraam uitvliegt.
‘Ja’, zegt echtgenoot, ‘dan verzinnen we zelf wel wat.’
Hij visualiseert een grote pan waar op de bodem kleine aardappelen bakken en bovenin rozijnenpannekoeken liggen.
‘Goh schat, wat goed,’ roep ik uit, ‘samen doen?’
Ik bedenk er ijsjes bij en voor ieder een ontpitte mango.
Plots komt de koelkast er bij staan; hij wijst naar zijn onderste vak.
We kijken. Romige mokkataartjes knipogen naar ons, hand in hand met Vin de Rêverie en Mijmerpils,
Langzaam genietend, vervagend in de slaap, doen we ons te goed aan de overdaad.
We zijn heel goed in staat onze dromen zelf te beheren.

‘Goedemorgen,’ gapend komt man de keuken in, ‘ik weet niet hoe het komt maar ik werd  wakker met een opgeblazen maag. Raar hè?’
‘Ja, en met een katterig gevoel. Gek is dat.’