parasol·verhaaltje

Parasol en vlaag

Vanmiddag kwam er een parasol aangewaaid.
Terwijl ik het eten kookte zag ik hem vanuit een ooghoek langs het raam vliegen en landen.
Een met kleurige banen die zielig op zijn zij lag tussen doornappels en stokrozen. Hij kwam me bekend voor.
De aardappelen latend voor wat ze waren ging ik het bezoek verwelkomen, je krijgt niet vaak een parasol op visite.
‘Lig je lekker?’ vroeg ik
‘Niet echt,’ steunde hij, ‘ik heb geen voet om op te staan.’
‘Zal ik je rechtop zetten?’
‘Graag, ik word doodmoe.’
Hij paste precies in het gat van de oude tuintafel. ‘Zo goed?’ Hij knikte en deed verslag:
‘Ik stond lekker in de zon toen een vlaag me meenam voor een trip, bijna tot aan het dak!’
‘Goh,’ antwoordde ik, geïmponeerd, een mooi verhaal verwachtend, ‘dat was zeker wel spannend?’
‘Nogal, ja, maar toen hij hogerop ging liet hij me vallen.’ Verongelijkt wiebelde hij heen en weer.
‘O jee, je weet toch dat vlagen met alle winden meewaaien?’ berispte ik hem ‘En nu?’
‘Ik wil terug maar je zult me moeten brengen. Ik woon bij de buren. Wil je me over de schutting zetten?’
Ah, vandaar dat ik hem kende.
Voorzichtig klapte ik hem dicht en zette hem zachtjes in de buurtuin naast de rozenstruik; zijn ene been een stukje de grond induwend.
‘Alsjeblieft, nu kan er niets meer gebeuren,’ troostte ik hem. ‘Geen vlaag die je nog te pakken kan krijgen.’
Hij gaf geen antwoord.
Eigenlijk zijn parasols maar slome dingen
===

wind

Nazomerwind

Hij kwam achter de laatste rij huizen vandaan, hij blies over daken en langs schoorstenen, wazige wolken liftten mee en werden begeleid door vogels die hun vleugels spaarden. Hij stuurde wat vroegoude bladeren van hun plek en vlijde ze op gebogen bloemen en vermoeid gras zodat ze samen konden rusten.
Ik lag op mijn rug en keek naar het spel van waaien en inhouden,  hunkerde, verlangend om deel te nemen.
‘Neem me mee’, fluisterde ik, ‘laat me meedoen, neem me op je schouders en toon me alle vergezichten; laat me je vrijheid zien opdat ik weet hoe mooi hij is. Toe…’
Hij hield even in en verkende de grenzen van de tuin; hij onderzocht de heggen en de waslijnen, gaf een speels duwtje tegen de parasol en met ingehouden adem wachtte ik, zijn route volgend, van fladderend wasgoed langs nijgende bomen tot een uitgelaten werveltje in de hoek.
Ik deed mijn ogen dicht en hij aarzelde boven mijn gezicht.
Hij blies een zucht langs mijn wangen, heel zachtjes, als een troostende ademtocht. En vloog verder zonder mij.