Somber sprookje


Er was eens een mopperig volk. Men  voelde zich tekortgedaan, teveel verplicht, zelfs muziek verwerd tot een scheldpartij.
‘Je moet dìt en je moet dàt en je mag niets. Wat heb je nu nog?  Er is niks aan.’  Het chagrijn vierde hoogtij.
Tot men op een dag alle ergernissen overboord gooide en besloot te leven naar eigen inzicht. De mensen gehoorzaamden niet meer aan wetten, zij volgden enkel nog hun instinct. Ze zouden gelukkig worden.
Het leek heel wat: weg met de lasten, leve de lusten, het paradijs opende zich!

Helaas, het paradijs bleek zeer aards.
Het was  een wildwest après la lettre, hetgeen behoorlijk tegenviel zonder Hollywoodromantiek. Diefstal en moord werden onbestraft gelaten, men leefde in achterdochtige buurtschappen. Ach en wee, grienden een paar klagers,  hun  kleurloze en vodderig geluk overziend.

Buurlanden, geschokt door de domme bandeloosheid, sloten hun grenzen.
Het volk was nu op zichzelf aangewezen.
Wetteloos en vrij.
Gedegenereerd, gedesillusioneerd, getraumatiseerd.
Niemand leefde nog lang, hoogstens ongelukkig.

Advertenties

Paradijselijke droom


Het was er groen, erg groen; het schemerde voor je ogen.
En warm. Daarom liepen we in ons nakie al hielp het niet veel. Herhaaldelijk doken we in zeeën of rivieren, opdringerige krokodillen slikten we er wel bij, als het maar koelde.
Het ergste was de herrie.
Het floot, zong, krijste, brulde en siste en welke geluiden je maar bedenken kon die dieren maken terwijl je tegelijkertijd het lawaai hoorde van gebeweeg door ritselende bladeren of sluipende slangen dan wel blubblubbende vissen want de natuur was zo overvloedig dat je als mens je eigen stem nauwelijks hoorde.
Een onaangename plek maar wie weet komt er een vervolgdroom met een goede afloop.