trillende dynamiek in tulpenrood

Er liggen wat oude kledingstukken die ik niet kwijt wil, die ga ik rood verven.
Op Internet zoek ik naar textielkleursel.
Er komt een advertentie voorbij met een wervende tekst:

Productbeschrijving textielverf
…het rood is de kleur van liefde, hartstocht en dynamisme. Het barst van energie en zet mensen aan tot actie. Deze glorierijke rode tint doet u denken aan de overweldigende, bloeiende tulpengebieden van Nederland. Heet Tulip Red welkom in uw huis of draag het voor een trillende blik die alle harten sneller zal doen kloppen.

Ik sta paf. Liefde, hartstocht, energie, dat heb ik sinds mijn achttiende niet meer meegemaakt. Dynamische hartstocht, dat was het wel zo’n beetje.
Uiteraard bestel ik dit onmiddellijk, zoiets lieflijks laat ik me niet ontgaan.
Stel je voor dat alle harten trillend kloppen bij de aanblik van mijn tulprode truitje. De laatste keer dat ik iemands kloppend hart zag trillen was de negentigjarige vriend van man’s neef die in het bejaardenhuis woont en ik droeg niet eens een truitje. Het zal de doorkijkbloes van neef  zijn geweest die hem om zeep hielp.
Daar moet ik straks dus mee oppassen, actieve dynamiek wil wel eens teveel zijn voor negentigers.
Maar goed, tulipred dus. Als het mooi wordt verf ik er meteen een paar schoenen bij en mijn haar. Een energieke study in red.
Ik ben benieuwd.
Ik kan niet wachten met verven.
Ik tril van ongeduld.

Vakantietuin

De tuin, daar hadden we al een poosje niet meer naar omgekeken.
Tot ik die ochtend -ik lag nog in bed-  een kreet hoorde:
0eoeoeoewahoeoeoeoewaahaa…aaaaa..aaaaaaaaahhh….
Ik schoot overeind, ‘hoorde je dat?’ Man sliep door.
Door het raam was niet veel te zien in de vroege schemer, er was alleen een hoop geritsel.
Het waait zeker, dacht ik. Het zal een uil geweest zijn, een schorre.
Net wilde ik weer het bed in of er klonk een vreemd gesnater.
Hù?  Nog meer geritsel;  wat raar.
Weer vroeg ik manlief, vergeefs.
In mijn eentje sloop ik naar beneden en deed voorzichtig de achterdeur open.
Wat ik zag? Je zult het niet geloven.
Boven op het vogelhuisje zat Tarzan, met Jane op zijn knieën.
Aan het hoogste druivenrek hing Cheetah, hij gaf net een nieuwe krijs ten beste voor Boy  die van de druiven snoepte.
Verbijsterd staarde ik naar dit tafereel dat nog vreemder leek door het grauwe ochtendlicht.
Als een absurdistisch toneelstuk.
Tarzan werd zich bewust van mijn gestaar en ook van de ramen die hier en daar geopend werden.
‘Niets aan de hand,’ riep hij ‘we waren aan vakantie toe.’
‘Ja,’ viel Jane in,  ‘al die jaren in een jungle, zo vervelend op de duur.’
‘Maar hoe komen jullie dan hier, over de oceaan en zo?’ klonk het uit een van de ramen.
‘Gewoon, flink aan een liaan slingeren. Die hebben we altijd bij ons, weet U. En verder goed rondkijken tot je hoog groen ziet’.
Hij wees in het rond.
‘Dit is een heel mooi bosje om uit te rusten, brandnetels, druiven, vogelboompje. Nu nog een onderkomen. We zoeken verder. Doei.’
Hij trok Jane over zijn schouder en riep Cheetah en Boy.
Ze wierpen hun lianen uit; lenig slingerden ze zich de lucht in. Boven het dak van de kerk zag ik ze voor het laatst, Jane zwaaide nog.  Vaag klonk hun oeoeoeaa-geroep.
Ik stond paf. Blij met brandnetels…
Terug in bed werd manlief wakker. ‘Wattizzutvandaag?’
‘Zaterdag, een mooie dag om de tuin op te knappen.’
‘Hè bah,  zullen we een geit huren.  Ik ken iemand die…’
Ik hield me slapend.