Paard niet in kerststal

Paard verdwaalt
Wilde natuurlijk naar het stalletje van de H. Familie.
Maar ja, wat weet zo’n dier van wegen en wijzende sterren, het liep gewoon de wei uit.
Op goed geluk of op hoop van zegen, om in stijl te blijven.
Het stalletje vond hij niet, wel een goede opvang.
Hij is zelfs beter af, want zeg nou zelf. Hoe heilig ook, een arm ouderwets stelletje heeft vast niet hetzelfde te bieden als een adres van 2019.
Trouwens, wat zouden de drie koningen gedacht hebben als er een paard binnenliep? En de herdertjes? Een paard, dat kwam je in arme stallen niet vaak tegen.
Nooit eigenlijk.
Zitten ze braaf rond te kribbe te aanbidden, komt er opeens een paard  aandraven. Is natuurlijk doodmoe, schuimvlokken op de lippen, snakt naar drinken en briest van de honger.
Geen water, geen haver, niet eens een sinterklaaswortel, Jesus nog te klein om wonderen te doen, schaapjes mekkerend van nieuwsgierigheid.
Niks gedaan, al dat gedoe.
Het is maar goed dat hij naar Zeeland verdwaald is.
Daar hebben ze water zat.
=

.

Vreemd schouwspel

Wat ik nou weer tegenkwam.
Een hongerige vlo zat op een te magere kat en ging in drie sprongen via een lange hond naar een vet varken dat op een groot paard reed.
Een kip, gewend aan rennen, liep mee.
De bozige baas floot.
Het grote paard stopte abrupt, het vette varken rolde eraf en plette de lange hond en magere kat.
De hongerige vlo zette zich op de baas die hem doodsloeg.
De kippige kip rent nog steeds.

Als ik het niet zelf verzonnen had zou ik het nooit hebben geloofd.

Bang voor de boze wolf?


Misschien terecht, je zou maar schaap wezen.
Ik maak me drukker om andere beesten. Geen wereldprobleem, ik weet het, toch voelde ik me als kind belazerd wanneer ze me te na kwamen.
Na hoogte- en andere -vrezen is dierenvrees mijn sterkst ontwikkelde eigenschap.
Er zijn uitzonderingen. De meest humeurige katten mogen ze me in handen stoppen, niet alle honden jagen me angst aan, weilandvee durf ik te aaien zolang er iemand bij me staat die me bijstaat, jonge koeien willen nog wel eens rare passen maken.
De konijnen van mijn vader zou ik nooit oppakken, ik stak ze spriet voor spriet het gras toe door de tralies.
Voor de kippen ging ik op de loop, altijd bang dat ze me in de benen zouden pikken. Duiven en witte muizen, hobbies van een buurjongen, tolereerde ik zolang ze uit mijn buurt bleven.
Zie ik een paard op de weg, draai ik meteen om of zoek de dikste boom om achter te schuilen.
Honden -die vroeger gewoon losliepen- hebben heel wat van mijn kinderplezier vergald met hun agressieve en nijdige geblaf als je langsrende. En ze ruiken angst, ze zullen niet meteen bijten maar houden je wantrouwend in de gaten. Dan besterf ik het.
We hadden cavia’s, hamsters, parkieten, geen van allen durfde ik te pakken, goudvissen en guppies haalde ik uit het water met een zeef waarvan ik de steel verlengd had met een stok.
Al jong durfde ik het Zwet niet meer in, ook niet in ander natuurwater. Onder het oppervlak huisde godweetwat en het bewoog allemaal.
Over de hekel aan insecten en grondgespuis zullen we het maar niet hebben, daarin sta ik niet alleen.


Het idee dat er met de klimaatopwarming nog meer griezelig spul te voorschijn komt doet me huiveren, daarom groeit in mijn achterhoofd het plan om te emigreren mocht het te heet worden.
Noord- of Zuidpool, dat lijkt me wel wat.
Moeten ze wel de ijsberen in besloten gebieden houden.
En garanderen dat de opwarming niet tot de polen reikt.
Ik wil niet met een gevaarlijk paard of dolle hond op de laatste ijsschots terechtkomt.

Paard en wij

Hangend over het hek brachten we de tijd door. Paard kwam bij ons staan en luisterde. Af en toe knikte hij.
Een van de jongens was in een etterige bui.
‘Heb je die schoenen van je opoe geërfd?’ begon hij. ‘Weet je dat je naar groene zeep ruikt?’
Reacties bleven uit, ook Paard negeerde hem.
Geprikkeld kwam hij met zwaarder geschut.
‘Hé dikkont, ik zou maar eens wat minder vreten.’ We trokken schele ogen.
‘Je denkt zeker dat je leuk bent, je kunt een paard nog laten lachen,’ pestte de knul.
Verveeld keken we de andere kant op. Paard blies de manen uit zijn ogen en keek met ons mee.
‘Ik wed dat geen van jullie op hem durft te rijden.’
Nu keken we allemaal naar hem.
Hij aarzelde, klom op het hek en tilde een been over de rug. Paard liep weg en daar lag de klier, in het gras en wellicht in een koeienvlaai.
Paard kwam naderbij, hij hinnikte en wij lachten met hem mee.