Katholieke zomerdagen

Landerig hangen we op vrije –  en vakantiemiddagen rond op het erf, zeuren wat,  pesten elkaar en de hond, gaan elke minuut  naar binnen om op de klok te kijken, wachten tot het zwembad open is. We vervelen ons suf.
Met afgunst zien we de andersdenkenden naar het openbare bad gaan, zij mogen er de hele middag in, allemaal tegelijk.
Wij, roomsen, moeten wachten tot we in het katholieke bad aan de beurt zijn, jongens en meisjes na elkaar.
’s Avonds hetzelfde rooster voor vrouwen en mannen.

Tenslotte moest de kerk toegeven en werd er gemengd gezwommen.
Mijn moeder was al eerder overstag gegaan. Ik mocht eindelijk naar het openbare met een buurmeisje. Ze gaf me entreegeld met een ssst-vinger voor de mond.
Dolblij fietsten we er naar toe.
En wat zag ik?
Veel meer katholieken zwommen daar, waarschijnlijk allemaal met de opdracht: ‘vertel het maar niet verder.’
==

Zomerse warmte is heel goed te verdragen. In de schaduw


Voorheen dacht ik het beter te weten.
Dat mijn vader en moeder kalmpjes onder de bomen zaten vond ik niks. ‘We doen alleen het hoognodige’ was hun devies. En ze hielden ook nog veel kleren aan.
Volgens mij moest het anders kunnen.

Hitte negeren leek me het beste maar dat bleek geen goed idee. Achter de stofzuiger lopen op soppende slippers is een onprettige manier van werken
Toen zette ik mijn voeten op een natte dweil en schuifelde zo door het huis. Koel en reinigt meteen de vloer, redeneerde ik. À la Pippi.
Het bleef heet.
In zwempak of bikini huishouden en tuinwerk doen. Pufpuf…
Veel ijswater drinken dan koel ik van binnen af, was een ander idee.
Niet dus, door het geren naar de wc kreeg ik het juist veel warmer en het transpireren liep finaal uit de hand, ik liep zowat in mijn eigen douchewater maar fris was het niet, ook niet toen ik me insmeerde met zeep.
Wonen in de koelkast viel tegen, zo krap.
Zucht, het werd moelijk om eigenwijs te blijven.
Het vijvertje waar ik zo vaak plezier van had is in bezit genomen door lotuswortels, waterjuffers, minilibelletjes en allerlei onduidelijk gespuis zodat ik er voor geen goud een stap in zet, wie weet hoeveel angels en tanden er aanwezig zijn.

Ik ging overstag.
Nu zit ik bij zomerse warmte op een koele plaats en bivakkeer daar zoveel mogelijk, daar schil ik de aardappelen of lees of speel met Internet.
Met een paar kleren aan.
In de schaduw.