Dat was broer.

Dat heb je wel eens, een familielid met wie je zelden omgaat.
Geen ruzie. Trof je elkaar dan was het leuk en daarmee was de kous af.
Uit elkaar gegroeid, wetend dat hij op de achtergrond aanwezig is.
Het was voldoende.
Soms dacht je: straks W even bellen of mailen. Vanavond, morgenmiddag, zondag heb ik meer tijd, en dan vergat je het weer.
Zo ging het met een broer.
En opeens is hij dood. Zomaar weg.
Een paar nichtjes kwamen het gisteravond vertellen, zij hoorden het ook via-via.
We wisten het niet. Dat hij zieker was dan iedereen dacht.
Vanmiddag waren we bij de uitvaart.
Het was druk, allemaal mensen die lovende dingen zeiden.
Ondanks de schrik deed het goed dit te horen.
Want je staat er bij stil.

Er is wéér een familielid minder.
Gelukkig zijn er nog een stuk of wat over, je wilt wel eens kletsen over het gezin van toen.
En nu ook over de gestorven broer.
==

Advertenties

Bijna een griezelverhaal

Het zachte zuchtgeluid weerklonk nu achter haar.
Raspend bij vlagen, ingehouden daartussenin.
Op een avond wachtte het haar op toen ze naar boven ging.
Akelig, beklemmend, benauwend.
Dan naast haar op het hoofdkussen. Ze kromp bij het geluid..
Ze analyseerde de zucht, vluchtig, in een poging zich niet te laten meeslepen in overspannen angsten. Wie ademde op deze manier?
Niet de echtgenoot, hij was er niet meer.
Die viezelijke ouwe oom? Maar hij was dood en kreeg een kruis na.
Ze schrok op door een diepe hijg, de ongeduldige zucht van een wachtende.
Geschrokken keek ze naar de keuken vanwaar het geluid kwam.
Ze rende, niemand te zien. Of toch?
Bang zette ze zich weer in haar stoel, steels om zich heen kijkend. Kwam iemand haar halen? Waarom?
Ze huilde hardop…..

Ooit blogde ik dat ik graag een griezelverhaal wilde schrijven maar het niet durfde. Bang voor mijn eigen creaties.
Herhaaldelijk begon ik er aan, even vaak moest ik afhaken. Ook nu.
Waarom begin ik dan telkens?
Griezelverhalen zijn fascinerend.
Jammer dat ze zo eng zijn.

Mocht iemand hier een vervolg op weten, dan ben ik heel nieuwsgierig en plaats het.

Vredige Kerstmis.

Deze wandlichtjes lagen al zo lang in de vergeethoek dat ze weer nieuw lijken nu ik ze opgehangen heb.
Nou ja, nieuw, ze zijn frommelig en een klein gedeelte van de lampjes doet het niet. Voorheen ook al niet. Vonden we niet erg.
In een druk gezin gaat zo vaak iets kapot, daar maak je je op de duur niet dik meer om. Je repareert waar nodig is of gooit weg. Of, en dat sluipt er ongemerkt in, je laat het zitten.
Dat laatste is iets waarvoor je moet uitkijken, je wordt gemakzuchtig en voor je het weet heb je een huis als een ruïne en mopperende kinderen en zijn er geen kopjes met oren voor de visite.
Daar wilde ik iets aan doen.

Het stalletje was al zover, uitgedund door overleden herders en schapen en nooit vervangen. Wat er nog stond was gewond; gebutst, oren kwijt en neuzen, handen verbrokkeld, kapotte kleren, uitgedroogd mos, een slagveld gelijk en dat zou de gedachte aan vrede vrede moeten opwekken. Je zou eerder denken aan de Eerste Hulp voor Minderbedeelden.
Het zag er bespottelijk uit en dan ook nog lampjes die het niet deden, ik had er even genoeg van.
‘We zijn te armoedig bezig,’ zei ik, ‘laten we om te beginnen de kerststal weggooien.’
Hoera, riepen er een paar,  eruit met die oude spullen.
Het ruimde lekker op.
En zie,  we hadden er allemaal vrede mee.