Het nieuwe donorregister per 1 juli 2020


Wat te doen.
De zaak blauwblauw laten betekent dat je na je dood automatisch het etiket krijgt ‘Geen bezwaar tegen orgaandonatie’.
Dat is het meest eenvoudige en doodmakkelijk, eventueel kun je het altijd nog veranderen.
Zelf overdenk ik het liever van tevoren. Mijn ideeën zijn niet hetzelfde als die van jaren her.
Lang was ik overtuigd van de gulheid omtrent mijn lijf: ze mogen alles hebben wat bruikbaar is.
Intussen ben ik voorzichtiger geworden.
Dacht ik altijd een realiste te zijn bekruipt me nu een unheimisch gevoel, bang nog niet helemaal dood te zijn als ze me uit elkaar halen.
Cru gesteld: je zou maar bijkomen zonder hart.
Ik weet dat het onzin is, maar dat niet alle lichaamsdelen tegelijk sterven vind ik een akelig idee.
Stel je voor.
Hart gaat traag, trager. Hersens bijna.
Dokters met geslepen scalpels staan klaar op de achtergrond, ze loeren. Je voelt het ondanks je halfdode staat, je pept je hart nog even op en longen piepen bangelijk, je wilt roepen maar je stem heeft het al begeven…
Dit is natuurlijk een raar scenario, ik weet het, maar zo ongeveer dwarrelt het in mijn brein dat ik nu nog heb maar dan misschien niet meer.
Ik ben er nog niet uit.
Voorlopig koester ik de hoop zo oud te worden dat niemand meer wat aan me heeft. Versleten boel, de scalpels zijn niet nodig.
Een zucht van opluchting is dan de laatste rilling.
==

.

Sommige oudjes doen het nog best


De afgelopen weken ben ik weer in de boekenkast gedoken om ruimte te maken.
Tja, dan ga je eerst even zitten met een  ‘o jaaa’ bij sommige boeken.  Opruimen schoot niet op, vier stuks legde ik apart om te herlezen en ik moet zeggen: oud is menigmaal nog steeds goed. In schrijven dan.
Jan de Hartog (De Kapitein) is taai maar schrijven kon hij.
Milan Kundera (De ondraaglijke lichtheid van het bestaan) leest beter en de titel is ronduit schitterend.
Greg Bear  (Aambeeld van Sterren, sf) boeit nog steeds, meer dan Asimov.
J.B. Priestey (Een straatje in Londen) las ik al honderd keer. En nu weer.
Nog even gebladerd in de Christie’s, Mankells, Ludlums, Grishams, en meer van dat, best goede auteurs maar ze trekken me niet meer. Ze nemen zinloos veel plaats in.
De eeuwige vraag is opnieuw – wat moet ik ermee- dus blijven ze staan.
Net als Palmen, Pfeijffer, Gort, Siebelink, enzovoorts enzoverder.
En dan de verstandige boeken, kook-  handwerk- en andere vreselijkheden. Wijzer werd ik er niet van, nee dan strips. Flippie Flink bezorgt me dagenlang een goed humeur.
(Ik heb er maar 1 album van, helaas)

Een boekenkast is vergelijkbaar met een vliering, garage en zolder,
je wilt ze opruimen, bent er een lange middag zoet mee en uiteindelijk mag niets weg.
Hoogstens wat opgeschoven.
==

Nog jong. Ja toch?

Een extra streepje voor de vouw boven haar oog, lippenstift doortrekken over dat wrattje.
Als finishing touch een zwarte punt op haar linker wang. Het bedekt precies een gesprongen adertje je.
Ze verstelt de lamp, beweegt de zijspiegels en knikt, het is goed.
Een paar heupbewegingen om los te komen. Andermaal knikt ze. Niet meer zo piep, nog steeds present.
’n Beetje onrustig, met het typerend weekendgevoel van verwachting, bekijkt ze de Uit-pagina. Film, film, klik, nog meer film, klik, Townsingers, klik, rapper’s Delight.
Niet veel soeps.
Misschien is er verderop meer te doen.  Hm, Joe the South zingt in kroeg Hot Spot.
Joe is een populaire streekartiest. Natuurlijk, als hartenbreker is hij op zijn retour maar nog altijd hangen er veel vrouwen rond zijn kleedkamer.
Zelf doet ze daar niet aan mee. Zijn geverfde zwarte haar en de te bruine huid is genant, ze voelt aan haar eigen gestylde lokken.
Ze denkt even na en belt.
‘ Hééj Maries, met mij. Zeg, ga je mee naar de Hot Spot? Joe zingt er.’
Ze luistert. Haar gezicht betrekt.
‘ Wat? Dat meen je niet… nee joh, daar zijn we helemáál niet te oud voor…trouwens, heb je Joe wel eens van dichtbij gezien?’
Die Maries, ze is moe en de kat kan niet alleen blijven. Bitch.
‘Karsten, ga jij ook naar Joe the South?Geen zin? Ok dan vraag ik Dinette wel. Groetjes.’
Tweede keus, maar ja.
‘…met het antwoordapparaat van Dieneke en Johan, spreek…’ Barst. Nijdig sluit ze af. Verrekte Dinette, weer helemaal terug in de tijd. Dieneke en Johan, bespottelijk, een geboren dorpsstelletje.
Wie kan ze nog vragen? Ze is niet van plan om wéér een zaterdag voor de buis te zitten. Zo oud is ze nog niet, toch? Ze bekijkt het telefoonboek.
Wessel dan maar? Nee, niet weer haar broer, zo zielig als je niemand kan krijgen.
Deze keer zoekt ze net zo lang tot ze iemand vindt, desnoods gaat ze met Lonneke al is dat een eersteklas mannengek.
‘Jantien? Nee? Jammer’
‘Heleen? Hond ziek? Oké, ik weet genoeg’ Bitch!
‘Marjo, heb jij zin om….? O sorry, dat wist ik niet. Ik hoor het morgen bij de koffie, oké?’
Dus Marjo gaat liever naar volwassenenvermaak. Trut.
Ze kijkt op de klok. Verdomme, dadelijk is het te laat.
Ze slikt en belt. ‘Hai Lonneke, ga je mee naar de kroeg? Nee lieverd , spijkerbroek is genoeg, alleen Joe treedt op. Ik kom er zo aan. Heb je wat pilletjes?’
==
©Bertjens/Bertie

Hoe en wat, vraagje.


Er liggen hier een paar oude boeken die ik niet langer dan een kwartier kan lezen door de stank.
Google deed verschillende ideeën aan de hand, soda, lavendel, bleek, luchten, zon, en meer, het hielp niet veel.
Deze boeken zijn erger dan alleen maar duf of beschimmeld.
Ze lagen jarenlang in een boekenkast in de woonkamer van een vochtige woning waarin zo goed als doorlopend gerookt werd, alleen met de schoonmaak werd de inhoud gelucht. Hoogstens een dag of drie.
Ik bewaar ze in plastic zakken, haal ze er even uit, blader wat en pak ze weer in wat het er natuurlijk niet beter op maakt. Luchten is waarschijnlijk verstandiger maar zelfs buiten merk je de penetrante geur.
Ik denk dat de hardnekkige rookgeur de hoofdschuldige is.

Weet iemand een afdoend middeltje hiervoor?
(Voordat ik het loodje leg).
==

Verveeld verhaaltje

Het meisje verveelde zich altijd.
Er was niets dat ze graag deed. Baantjes, clubs, stappen, ze meed het.
Soms ging ze de straat op, maar ook daar was niets wat haar kon bekoren. Meestal ging ze vroeg naar bed, gapend van verveling.
Ze probeerde de sleur te doorbreken door samen te wonen met een man,  toen met een vrouw,  daarna met alletwee tegelijk om uiteindelijk weer alleen te blijven want het was een suffe beweging.
Ze besloot te gaan reizen. Het hielp niet. Gedoe met folders, boeken, bagage, inchecken, hotels en meer hing haar direct al de keel uit en ze kocht zich een eigen raket.
Daarmee vertrok naar bijna eindeloze verten in het heelal en ontdekte onderweg een paar spannende nieuwe planeten. Mooi, maar het spelletje van exploreren en exploiteren werd al gauw een gewoonte en ze richtte haar aandacht op de hemel.
Helaas, die was afgesloten.
Ze kwam er niet in, de portier was duidelijk geïnstrueerd:
GEEN TOEGANG VOOR LEVENDEN. Heel vervelend.
Ze haalde de schouders op en zette koers naar beneden, aarzelde halfweg even bij het vagevuur maar toen ze de saaie bedoening zag van geen-vlees-en-geen vis racete ze regelrecht naar de hel, bekeek de baas van het spul en de bewoners.
Ze vond er niets aan; is dat alles, dacht ze, een doorlopend brandje? Nou, dan kon ze net zo goed naar huis gaan en een pak lucifers aansteken.
Intussen voelde ze de jaren. Ze nam haar intrek in een bejaardenhuis.
Al niksende werd ze erg oud.
Op haar éénhonderdenzevende verjaardag las ze geërgerd het zoveelste duffe telegram van de koning en verzuchtte, ‘Gatverdarrie, ik verveel me dóód.’
En ze stierf.
De begrafenis was een dooie boel.
©

Foto

“Er moet een persoonlijk fotootje komen op je weblog, dat vinden de lezers leuk”
Misschien is dat zo. Maar er kleven ook nadelen aan, heb ik dat niet al eerder uitgelegd?
Hij kan te onaantrekkelijk zijn waardoor de aanstormende lezer onmiddellijk verder zapt: zal de rest ook wel niks zijn.
Hij kan te mooi zijn, waardoor een bladeraar niet meer aan lezen toekomt en zwijmelend de tekst vergeet.
Hij kan te oud zijn, waardoor enerzijds lezers onder de negentig afhaken en anderzijds de eeuwelingen zich gaan verlekkeren op een manier die gevaarlijk is voor hun gezondheid.
Hij kan te jong zijn waardoor de gedachte aan een kleuterschool opkomt.
Hij kan te blond zijn waardoor een bijnalezer denkt een stom stuk onder ogen te krijgen.
Hij kan te, ja, hij van alles te zijn en daarom begin ik er niet aan.

Dorstige ouderen

Mevrouw, dit is een straatonderzoek over het eet- en drinkgedrag onder ouderen, mag ik U wat vragen?
— Ja hoor vraag maar op.
U bent nog steeds slank, volgt U een dieet?
— Nee.
Hoe doet U het dan?
— Ik eet en drink.
O ja?
 — Dagelijks een half sneetje brood en drie portjes bij de lunch, soms vier.
O my god…
 — Als tussendoortje een paar rumbonen. Een matige avondmaaltijd, daarna komt de rest van de  port op tafel. Mijn man heeft liever een jongetje, de lieverd. Hij leeft ’n beetje in het verleden.
(Slik)En U voelt zich goed?
  — Naar omstandigheden. Op je tachtigste schuurt het hier en daar, dat is begrijpelijk hè.
Ja, dat zal wel. Lijden Uw hart en bloedvaten hier niet mee?
  — Nou, dat weet ik niet hoor, dat is aan de huisarts. Ik ben kortademig, heb moeilijke voeten, vergeet wel eens wat, net als mijn  moeder en opoe. Heel zielig, ze waren nog wel zo braaf, de stumpers. Maar goed, ze stierven in fatsoen.
Bent U niet bang voor een ziekelijke oude dag?
  — Jongen, ik bèn ziekelijk en oud en voor de helft versleten. Moet ik soms de evenwichtsbalk op?
Nee, maar toch, zo zorgeloos met Uw lichaam om te gaan….

— Vino pellite curas*
Eh, pardon?
  –Dat leer je nog wel. Dat hoop ik voor je.

  ==========
*Verdrijf de zorgen met wijn. – Horatius