Je moet niet alles geloven

We gaan over een paar dagen op treintrip.
Ik verheug me er op ware het niet dat de reis op vrijdag de dertiende valt. Daar hadden we niet bij stilgestaan tot ik vanmorgen in de agenda keek.
Kijk, ik ben niet bijgelovig hoor. (Zeggen we dat niet allemaal?)
Niettemin raak je besmet door herinneringen aan zwarte katten, gebroken spiegels, enfin, lees deze voortekenen en je neemt uit lijfsbehoud alvast een driedaags slaaptablet op de avond ervoor.
Zover ga ik natuurlijk niet.
Ik wapen me slim.
– Ik zet een gekleurde bril op tegen die katten
– kijk niet in spiegels
– ook niet naar de nieuwe maan
meer verstand heb ik niet maar het is een begin.
Als de anderen ook een paar voorzorgsmaatregelen nemen komen we samen een heel eind. Misschien wel op op de plaats van bestemming.
Voor de zekerheid kunnen we een verdwijndeken inpakken maar dan weet je weer niet wat je moet doen: gooi je hem over jezelf of over het ongeluk dat je tegenkomt? Stel dat een overvallende pyromaan niet in Harry Potter gelooft en de deken in brand steekt, wat heb je er dan aan? En wat als er een slijtplek in zit en je gezicht er doorschemert? Dan zie je alle narigheid van dichtbij.
Maar ik blijf optimistisch en hoop op slecht weer. In dat geval gaan we de volgende dag, is de afspraak.
Dus hoef ik alleen maar de regendans te doen.

Advertenties