Klein leed

Met gevaar voor eigen lijf gaf ik mijn krachten.
Telkens weer.
Ik hield de adem in op het moment suprême, fataal voor de vijand en een zegen voor de mensheid.
Groots was de glorie bij een vermorzeld ondier. Orgiastisch bijna.
De reiniging erna was weldadig.
Warm water, zorgvuldig gericht, ach, de heerlijkheden van een functionerend lichaam.

Het is voorbij.
Gewond werd ik opgehangen in een donkere hoek met de woorden
wie weet waar ‘ie nog goed voor is’
Zo kwetsend, die Hollandse zuinigheid.
Liever lag ik op de belt.

Advertenties

Kerstboomversiersel

Misschien schreef ik dit al eerder, ergens, ik weet niet in welke weblog.

Jaren geleden op een rapportgesprek meldde de klasseleraar enkele ongehoorzaamheden, hij zat vooral in zijn maag met een grap, begaan door een van onze kinderen, ongeveer vijftien jaar oud.
Wat had het gedaan dan?
Samen met een klasgenoot het beeldje van Jezus uit zijn kribbe gelicht en in de kerstboom gehangen.
– Ach, tja, heel oneerbiedig.  Toch leek het ons geen misdaad. Kindje als versiersel.
Maar, ging de leraar verder, aan een touwtje om de nek??
– Oei, dat was erger, zorgelijk.
Puberaal gedoe? Dwarsheid? Rebellie? Onderliggende problemen? Verveling?
We wisten het niet en werden niet wijzer van de puber zelf.
Man en ik keken er elkaar op aan.
‘Jij begint altijd met harde grappen.’ ‘Jouw vader komt altijd met zwarte humor.’ ‘Jouw moeder is altijd zo grof.’ ‘Nee, dan de jouwe.’ Enzovoorts.
Tot we de slappe lach kregen.
Zo bloedde het incident vanzelf dood.
Later hoorden we dat het vaker gedaan werd, ook met de andere beeldjes. Dat wil niet zeggen dat we het daarmee goedkeurden.
We vroegen ons alleen af hoe iemand op zo’n idee komt.