Mineur.


In’t stille dal, in’t duist’re dal

waar nooit een bloempje wil groeien…
Je ziet het, een zwarte blik heeft me in zijn greep.
Er is geen reden, enkele kleine dingetjes die per stuk geen gedachte waard zijn.
Droge piephoest die niet overgaat, fleumucil die matig werkt, klimop die te hard groeit, hordeur die later komt dan gehoopt.
… daar borrelt een dreigende waterval
en waren geesten overal…
Er was een duizeling waardoor ik dacht aan schedelaandoeningen, te late ambulance, een droevig sterfbed met zoons die niet wenen, goeie god, wat wordt ik bezocht.
….om ieder lachje te besnoeien
ook’t kleinste….
Vanmiddag met buurvrouw wezen winkelen in de hoop op te fleuren.
Het lukte. Bijna. Op de terugweg kregen we een hagelbui, onaards, we keken bezorgd naar het autodak, vóélden reeds de inslag, scheuren in het metaal en wijzelf aan flarden.
…en met de duistere dingen te stoeien
’t chagrijnste...
En toen, bijna thuis, droogde het op.
Nu mijn zwarte blik nog weg zien te werken.
==

‘Het worde licht…’

sprak iemand en ik was meteen een ander mens.
Winterweertypes met een heldere lucht doen wat met je. Je fleurt er van op, wat heet, je straalt als een zon, toen ik vanmiddag langs de kamerplanten liep schoten ze direct in knop en een ervan bloeit al.
Nou ja, in mijn verbeelding.
Ik kijk uit naar februari waarin je opstaat met dat typische daglicht, bleek en blijmakend.
Daarna een maarts zonnetje.
De eerste bruinsessie, snoeiwerk en zweten met schoffels en hitte, vogelbadjes waarin puffende mussen en mijn voeten in het vijvertje en…
nu draaf ik door.
Geeft niet.
Voordromen mag.