dialect·taal

Dialect, je blijft leren

‘Natuurstenen voor de vijver,’ legde ik de verkoper uit..
‘O, je bedoelt moskeien.’
‘Dat hoeft niet,’ zei ik, ‘mos groeit er vanzelf op.’
We snapten elkaar niet tot echtgenoot uitgelachen was en verduidelijkte: Maaskeien.

Bij de kapstok lag een vergeten pet.
– O, dies van mien.
–  Neeje, ik had er geen op.
Van wie is hij dan?
– Van mien, zei ik toch…
Het duurde even voor ik Mien en mien(mij) uit elkaar had.

‘Luste koikes?’ (kaantjes)
Hedde de sleuje gezien?’ (sloten)
haancock-1091651__340
Nu woon ik al heel wat jaren in Oost-Brabant  en kom nog steeds af en toe een onbekend woord tegen. Vooral achteraf wonenden en ouderen komen met uitdrukkingen die ik met de beste wil niet kan thuisbrengen, alleen als ze passen in het gesprek daagt het me.
Bovendien verschillen dialecten -zoals overal-  per dorp.
Andersom is het hetzelfde, hoorde ik van een Brabantse schoonzus  die in Zeeuw-Vlaanderen woont (dat is pas een echt moeilijk taaltje).
Het heeft één voordeel: je kunt nog eens lachen.
==

afkomst

Van origine…

De opa van opa kwam van ver, waarschijnlijk vertelde ik het al vaker.
Niets bijzonders, ik geloof dat half Nederland minstens één buitenlandse voorvader heeft.
Dat kon me niets schelen: ik had een Hongaar in de familie en koesterde dat idee. Zigeunerromantiek was wat ik zag.
Dromerige dan wel opzwepende vioolmuziek, vurige  mannen met lange bakkebaarden en lenige lijven die mooie donkere vrouwen inpalmden,  in mijn twaalfjarige ogen het toppunt van duister genot. Wat dat ook betekende.
Nou ja, ik was  een poosje gelukkig met deze dromerij.
Toen mijn aanstaande een Spaanse oom  inbracht probeerde ik het idee  nieuw leven in de blazen.
Een heuse Don, passend bij een zigeunerdochter….

We lachten erom.
De combinatie Noord-Holland –  Oost-Brabant was al moeilijk genoeg.
=

 

geboortegrond

Aarden. Of niet?

Wat doet sommige mensen zo sterk hechten aan hun geboortegrond?
Oké, ze hebben er meestal hun jeugd doorgebracht, school gelopen, zijn er verliefd en volwassen geworden. Maar dat zijn belevingen die je niet meer terug vindt.
Toch willen ze per se in hun eigen gemeente trouwen en wonen of er, in latere jaren, hun oude dag doorbrengen. Terug naar hun roots, heet het dan.
Zelfs van emigranten ken ik er die hun nieuwe huis en tuin zoveel mogelijk modelleerden naar die in hun moederland want dan voelden ze zich ‘thuis’.
Is het het landschap? De omgeving? Het dialect? Traditie (mijn achteroveropoe is hier nog geboren)?
Alle antwoorden zijn goed tot je ze weerlegt. Behalve de laatste zijn eigenschappen van de overige argumenten overal te vinden, zeker in eigen land.
Wat speelt er dan mee?
Ik denk dat het iets eigens is, iets onbenoembaars, een gevoel, te vergelijken met de pannenkoeken-van-je-moeder, en dat de ene mens dat makkelijker achter zich laat dan de andere. Ik roep maar wat want het is moeilijk te beoordelen.
Een vroegere vrijer kwam uit Rotterdam en zou nooit, NOOIT van zijn leven in Amsterdam gaan wonen. Van een Amsterdamse zwager hoorden we precies hetzelfde maar dan andersom. Tja, wat konden we daar op zeggen. We begrepen het niet.
Zelf ben ik Zaanse en op mijn veertiende in Oost-Brabant neergezet.
Het is niet onaardig gelukt: ik sloeg aan.