Vol verwachting

Vanmorgen vroeg, het was nog donker – werd ik wakker met een onbenoembaar blij gevoel. Er was iets, iets positiefs. En toen wist ik het weer.
De slaap kwam terug.
Een uur later werd ik opnieuw wakker, nu had ik het meteen.
Uitgeslapen stond ik op, deed de gewone dingen en zette me aan het ontbijt dat door de opwinding nergens naar smaakte. Alleen de koffie trok zich niets van de stemming aan.
Het nieuws van half acht kwam door maar raakte me niet.
Het weerbericht ging langs me heen, reclame merkte ik niet op.
Ongedurigheid beving me.
Ik duwde de klok vooruit.
Tokkelde op het tablet, zag dat de klok terugsprong, hoorde de bel in alle geluiden. Het gerasp van de kauwen klonk precies zo.
Maar dan was de tijd daar en kon ik rechtop staan,  naar de voordeur lopen en de brenger om zijn hals vallen.
De nieuw wasmachine arriveerde.

Advertenties

Toen een huisvrouw het nog druk had

‘Opzijopzijopzij…’
Dit wordt niet hardop gezegd maar de boodschap komt over: zij heeft haast.
Zodra ze de supermarktdeur binnenvalt vliegen aanwezige klanten naar de zijpaden.
Sommige nemen geen risico en sluiten zich aan bij de manager die zich verschanst achter de breedste van de vakkenvullers.
Men kent haar.
In haar huis gaat het op eendere wijze.
Als een wervelstorm sleurt ze de gezinsleden uit bed, drukt hen het ontbijt door de keel en duwt ze de deur uit.
Opruimende werpt ze af en toe een hap brood naar binnen en voert kat, cavia, parkiet en hond.
Ziezo, denkt ze na het volgooien van de vaatwasser, dat is gebeurd. Wat moet er nog meer gebeuren; stofzuigen, dat is wel nodig of neem ik eerst de ramen? En dat boek moet ook nog uit, als ik het op de aanrecht leg kan ik tegelijkertijd lezen en de aardappelen schillen.
Het lukt.  Het kost wat pleisters maar het gaat heel goed; weet je wat, denkt ze, ik snij meteen de andijvie. Het grote mes zoeken, de plank, de krop er op. Onderwijl leest ze met één oog  verder.
Oei, au…  trillend reikt ze naar de handdoek om nieuw bloed te stelpen. Verdorie, was daar bijna het boek bevlekt,  het is nog wel van de bibliotheek.
Voorzichtig kijkt ze onder de handdoek. En schrikt van de jaap in haar linkerduim, nog net niet tot het bot.
Vlug onder koud water,  tjess, pijnlijk.
Met veel gehannes maakt ze een noodverband van zakdoeken en pleisters.
Hè, ze is er misselijk van, draaierig hangt ze voorover. De kat kijkt stoicijns naar haar, de hond jankt meelevend maar niet verbaasd.
Haar verstand krijgt de overhand. Eindelijk.
Ze kruipt op de bank en rust, al lezende,  tot het kloppen in de duim afneemt.
Dan gaat ze rechtop zitten, gaapt en rekt, controleert het noodverband en ijlt  naar de stofzuiger, pakt onderweg de plumeau,  neemt de rinkelende telefoon op……

Dit stukje is ongeveer acht jaar oud, door een haastklusje vanmorgen dacht ik eraan terug. Het was niet eens zo erg overdreven.

Druiven en merels

De druiven zijn rijp.
Prachtig en verleidelijk hangen ze in kleine en grote trossen, bedauwd en van dat bijzondere blauw. Druivenblauw.
Ik eet ze als ontbijt, lunch, diner en als tussendoortjes. En ben niet de enige die dat lekkers  waardeert.
Plukken blijkt een ingewikkelde bezigheid doordat ik de opbrengst met vogels -meest merels- moet delen.
Dan sta je met je hoofd tussen de bladeren, schaar in de aanslag, vergiet eronder,  en je voelt dat je gadegeslagen wordt. Je dekt je in en houdt je stil, slechts je ogen loeren van links naar rechts en zoveel mogelijk naar boven en beneden en jawel, plotseling staart een vinnige kraaloog terug, in gelijke mate wantrouwend, bang dat hem de beste vruchten door de neus geboord worden.
Ik versaag niet en doe een knip met de schaar; de merel neemt een snaai met zijn snavel.
We loeren. Knip-snaai. Knip-snaai.
Opnieuw loer ik, hij ook. Knipknip. Snaaisnaaisnaai.
Verrek, hij meer dan ik, ik hoor het aan het bladergeritsel. Wacht maar, knipknipknipknip, dat zal hem leren.
Stilte.
Ineens: snaaisnaaisnaaisnaai, en voor ik kan antwoorden schatert het beest de klimop uit, pitjes achter zich aan strooiend. Daar gaan mijn ontbijt en andere maaltijden.
De lelijke dief.