Maan slot

Vanuit de slaap belandde ik in een wonderlijk bewustzijn. Aards en wanig tegelijk alsof de verdovende middelen een vleug lsd bevatten.
Mijn hang naar volle maan verscheen uitvergroot, belicht van alle kanten.
De verlangens waren niets vergeleken bij het indringende besef: ik moet er naar toe.
Mijn geest transporteren.
Mijn lichaam overlaten aan oma en de anderen.


De maan is mijn onderkomen.
Ik wentel me in zijn licht, omarm zijn materie.
Ik adem niet, verlang niet, lijd niet.
Ik ben.
Ik ben het mannetje in de maan.
==

Maan 5


Ik ben er nog.
Met duizend draden aan machines gekoppeld lig ik op de IC.
Een verpleegkundige controleert de apparatuur.
De arts leest mijn status.
Mijn huishoudster staart, zorgelijk.
Oma is onderweg.
Ze bekijken het maar, ik slaap nog even.
==

Maan 3

Weer wakker.  Pffff,  dat heb ik ontlopen.
Maar nu komt de andere kwestie weer boven, de watertandende hang naar volle maan.
Zou de psych gelijk hebben dat ik slechts een waandenkbeeld in stand houd? En daarvan droom?
Of mijn oma die gelooft in een geheime liefde? Ze beweert dat iemand op mij jaagt, net zo lang tot ze mijn signalen opvangt en me dan tot de hare maakt (háár woorden).
Vreemd vooruitzicht, bijgelovige oudewijvenpraat.
Anderzijds is het kwijlen bij volle maan net zo goed raar.
Ik denk er weer aan, nog één dag en…
…leg mijn tabletten klaar.
==

De natuur is een kei

De nieuwe baby heeft de grijze ogen en het bruine haar van mamma, evenals de kleine oortjes.
In de rest van het hoofdje, nek en hals zie je duidelijk pappa.
Rug en schoudertjes verraden opa één terwijl de brede handjes en voetjes naar opa twee wijzen.
Oma een en twee manifesteren zich respectievelijk in de stevige ledematen en het bolbuikige rompje.
De overige voorvaderen houden zich schuil in de organen en proberen de dna-touwtjes stevig in handen te houden voor het geval de nieuwe combinatie op hol slaat.
Knap dat de natuur dit keer op keer op keer voor elkaar krijgt. Je staat er telkens weer versteld van.

vers van hebzucht


Ik miste dingen die’k niet had
en nooit bezitten zou
een nieuwe tas in wit-met-blauw
pianoles
regenlaarzen in het rood
een knuffelbeer
ze maakten mijn verlangens groot.
Toen kreeg ik boeken
met  verhalen
van
kinderen, ze stalen,
armoedig in hun rafels
de moeders  stil en ziek
een oma leed aan rimmetiek.
Ik las en las
opdat ik maar zou snappen,
mijn wensen moest ik schrappen.

Het hielp geen bal
nog steeds mis ik
de dingen die’k niet heb
en nooit bezitten zal.

© Bertie