De bel ging

Het meisje opende de deur.  ‘Ja?’ vroeg ze de zwijgende figuur.
Hij wees naar binnen.
In de keuken bleef hij staan. ‘Gisteren op stap geweest,’ was alles wat hij zei.
Angstig keek ze naar de griezelige ogen van de man wiens kater zo groot was dat hij bijna miauwde.
Hij blies naar haar; geschrokken gaf ze hem een een brokje. Ze kon hem maar beter tevreden houden en zette er een schaaltje melk bij.

Hij greep en at. Zette de melk aan zijn mond.
Voorzichtig probeerde ze een aaitje over zijn rug waarbij ze tersluiks in zijn nek keek, misschien was hij wel van zuiver ras.
‘Nee mens, ik ben geen kat,’ hij schudde zich los.
‘O, neem me niet kwalijk, ik dacht even….Uw ogen, en U blaast …’
‘Ja en krabben kan ik ook.’
Hij rekte zich uit.
‘Bedankt en ik ga weer. Vrouwen roepen me.’
Haastig deed ze de voordeur open. Hij rende de nacht in.
Ongelovig bleef ze nog even staan, hoorde ze nou echt een krolse poes janken?

ps
dit stukje is gebaseerd op een echt feit, beetje veranderd om het spannend te maken.
Leg ik uit in volgend logje.

Spinnen. Slot


De spinnen schrokken wakker van deze bekende kreet. Wat, oorlog?
Naarstig overlegden ze. Hoe zich te weren tegen dit gevaarlijke offensief?  Een lastig vraagstuk.
Ze vonden een oplossing in hun op-één-na machtigste wapen:  de griezelarij.
springspin-voorzijde-kop-phidippus_pius_eyesZe verlieten hun schuilplaatsen en toonden zich. Sommigen met grote ogen, anderen met flitsende rugkruisen of bizarre kleuren. Enkele diehards hieven dikke harige poten maar allemaal bewogen ze zich rennend met zenuwslopend gewriemel, inspelend op menselijke angst.
Een aantal mensen deinsde prompt achteruit en viel flauw; anderen slikten en kwamen terug met lasers en spinaziemessen, ze lachten de spinnen manmoedig uit en hakten de webben door met strijdkreten en bijlen om ramen en deuren te bereiken. De spinnen wriemelden nog harder en kropen over armen en gezichten. Het werd een grote  pan.
Tot er eindelijk ergens een luik open viel. Schreeuwend  begaven de mensen zich naar buiten en richtten brandslangen op de indringers.  Ze zongen ‘We are the champions’, ze hadden het hem gelapt! Veilig tot de volgende herfst en dan zouden we wel zien. Helden waren ze.

Wat konden de spinnen anders doen dan ook naar buiten gaan? Ze groepten bij elkaar en vertrokken naar bos en hei, warme plekken in woningen  wegzettend in hun dromen. Ook zij waren zielig.
Ze sjokten langs berm en gewas. En toen, onverwachts,  riep de voorste: ‘Heeee, recht vooruit een onbemand mensenhuis!’
Hè? Echt waar?
Dat was de oplossing. Weliswaar zonder warme plekken maar beschut.  En,  wie weet, heel misschien, per ongeluk, toch, een ietsepietsie zwarte stroom? Voor ‘n ietsepietsie behaaglijkheid? Je weet maar nooit….  Ze dromden rond de voorste.
En opnieuw klonk het
‘LET’S GO!’
====

Gluurogen


Bij deze lucht is het beeld weer streeploos. Als ramen die pas gezeemd zijn (niet dat dat vaak gebeurt maar ik herken het direct).

Wat meer opvalt zijn de glurende ogen in het gebladerte. Waar kijken ze naar, wat zien ze, wat wìllen ze zien, blote bloemen? Op de vergroting zie je ook nog een soort hoorntjes, gecamoufleerd maar duidelijk.
Waarvandaan komt zoiets of -iemand, uit duistere poelen van de oude Peel? Daar huisde van alles, vast en zeker ook bladhoornige griezels, wat weten wij daarvan.
Als hij er morgenochtend nog zit roep ik de vreemdelingenpoltie en tegelijk de ME, van engerds verwacht ik rarigheden.
Natuurlijk kan ik er ook zelf op af gaan. Ik heb een deegroller en een paar scherpe messen, buks, strijkbout, slagkoekepan en een grote mond.  Die laatste houdt me juist tegen, stel dat ik hem beledig en hij me aanklaagt en ik moet zitten?
Wie bezorgt me in dat geval een vijl of ontsnappingstouwladder? Van WordPress en Microsoft  verwacht ik niets.
Geef mij de ME maar, als ze hun paarden tenminste thuislaten.
Daar ben ik nog banger van.

(Oud verhaaltje teruggevonden) Een arme narciste

‘Het is zo lastig,’ vertelde zij  de huisarts, ‘almaar je nek te moeten verdraaien, in etalageruiten, spiegeldeuren, grote zonnebrillenglazen, schermen van televisie en laptop en tablet, overal moet ik mezelf bewonderen; links en rechts heb ik een zere nek en mijn ogen gaan soms uit eigen beweging heen en weer, weet U wel hoeveel afbreuk dat doet aan mijn schoonheid…. ‘
De huisarts  bekeek haar nek en zag dat haar ogen inderdaad vreemde bewegingen maakten, haastig  schoten ze naar de ooghoeken en terug.
‘Hm, tja, een psychiater kan U misschien helpen.’
‘Oh god nee,’ riep de narciste, ‘die neemt me mijn grootste genot af. Help me liever met mijn nek en ogen.’
Nadenkend bladerde de huisarts wat in zijn papieren. ‘Heeft U,’ vroeg hij,  ‘wel eens gedacht aan een carrière bij de televisie?’
‘Ja hoor, maar ik kan niet acteren, niet presenteren, zingen of zelfs maar meedoen met spelletjes. Het enige wat ik kan is mezelf bewonderen.’  Intussen keek ze aandachtig naar zijn ogen waarin ze haar gezicht zag, piepklein maar zo mooi dat ze ervan zuchtte.
‘Dat is ook niet nodig, U hoeft alleen maar te zijn en af en toe een woordje na te zeggen.’ Hij schreef iets op een blaadje. ‘Mevrouw, belt U dit nummer. Deze man kan U opleiden tot tv-babe. Veel succes!’
Zij ging en belde.  Ze mocht komen voor een auditie. Ze deed enorm haar best en bekeek zich met grote aandacht op alle monitoren, de ernst spatte uit haar blikken waardoor ze imponeerde en mocht blijven.
Ze werd een groot succes. Nu hoefde ze niet meer haar nek te verdraaien, haar beeltenis verscheen op alle plekken waar ze keek, ook haar ogen pasten zich aan.
Ze werd een rijke narciste met nog maar één klacht.  ‘Wat als ik oud word?’

© Bertie