Slecht horen – slecht praten.

Er werden nieuwe meters geïnstalleerd, voor gas en stroom.
De monteur kon elk moment komen, daarom hield ik alvast de gehoorapparaatjes bij de hand. Vaak zijn ze niet nodig maar met onbekenden is het afwachten hoe ze spreken.
Mummelaars zijn echt lastig, je hoort ze wel maar verstaat er geen barst van, daar heb je geen doofheid voor nodig.
Ook een andersoortig dialect kan moeilijk zijn, vooral als er op mitrailleursnelheid gerateld wordt.
Enfin.
De monteur belde aan, ik liet hem binnen en wachtte met spanning op zijn woorden.
‘Goedemorgen,’ riep ik jolig, luid en duidelijk. Als voorbeeld.
Het hielp niet.
‘gmgn’ murmelde hij, schudde mijn hand en wees naar de meterkast. Inwendig huilde ik.
‘Sorry meneer, even mijn oren aanzetten.’
Hij knikte en begon met zijn werk.
Ik stond er sukkelig bij, weet nooit goed wat ik moet doen bij een kluswerker.
Een gezellig praatje kan in dat geval de oplossing zijn, helaas ging het deze keer te moeizaam.
Ik zei dat ik hem niet goed verstond.
Dat werd begrepen. Hij murmelde luider.
Door wanhoop gedreven vroeg ik om uitleg over de nieuwe meters, daar trapt iedere vakman in en ook hij gaf een gedetailleerd verslag. Ik stond erbij, knikte lukraak en zette een pienter gezicht op. Hoopte ik.
Zo kwamen we de tijd door. Murmelend en ‘jaja’ zeggend. Hier en daar verkeerd, aan zijn blikken te zien.
Na afloop bood ik koffie aan.
Die sloeg hij af.
Voelde zich waarschijnlijk net zo belazerd als ik.

Advertenties

Bijgeloof?

Wakker liggend hoor ik opeens een zacht gemurmel.
Vreemd. Ik controleer tv, internet en keukenapparatuur en ga weer naar bed.
Opnieuw hoor ik het, luider nu. Speurend kijk ik rond maar de maan laat het afweten waardoor schaduwen vaag aandoen, de stoel is een onduidelijk vorm, het nachtkastje een donkere vlek. Ik knip het licht aan, niets te zien, en uit.
Het geluid zwelt aan, langzaam maar onmiskenbaar.
Een gedachte flitst door mijn hoofd: komen ze me halen? Hebben ze weet van..  neeee, zoiets bestaat niet.
Dieper kruip ik onder de dekens.
Ze dempen het geluid slechts ten dele. Het heeft nu een doffe ondertoon, iets dwingends.
Het klinkt als een omen van slechtheden en doet me huiveren.
‘Jje bent toch niet bang?’ meen ik te verstaan. ‘Kom kennis maken…’ Maar ik ben juist erg bang, gluur voorzichtig door een kiertje. De maan richt één voorzichtige straal op het nachtkastje, duikt weer weg.
Het is genoeg. Daar ligt het levenstestament dat ik maakte.
‘…in geval van ernstige ziekte …blijvend letsel aan organen… etcetera….blabla… gelieve mijn leven niet te rekken…’
Een bijgelovige vriendin keurde het af. ‘Het is de goden verzoeken, ze komen je halen voor je tijd.’
Ik lachte haar uit.
Maar nu.
Ze komen naderbij, ze willen me. Ik voel het en sterf nu al bijna, van angst. Nog niet, roep ik, het is te vroeg, ga weg, ik wil niet…
In wanhoop grijp ik het papier en scheur en nogmaals en meer, bij elke rits neemt het murmelen af tot het papier op is.
Het is stil.