Elkaar kennen

mensenkennissculpture-430648__340
Kent een (getrouwd) paar elkaar altijd echt?
Dat was de vraag toen we lazen van een moord, gepleegd door een man van wie niemand het verwachtte. Hij zelf ook niet.
Nee, zei een nicht, daar was ze heel stellig in, je leert elkaar nooit helemaal kennen.
De rest van de kring beweerde van wel. Door en door, als mijn broekzak, ik kan haar/zijn gedrag voorspellen en meer. Voorbeelden werden genoemd.
Ik twijfelde en nog steeds.
Mijn eigen man leek mij ook zo doorzichtig, toch keek ik wel eens op van een onverwachte uitspraak, kleinigheidjes. En hij van mij waarschijnlijk.
Kan haast niet anders, zou je denken. Talloze invloeden om je heen, dagelijks iets nieuws in allerlei opvattingen over gedrag, moraal, over alles. Zo is het leven.

Maar dan nog verwacht je geen ernstig criminele daad, laat staan een moord.
Zou het echt mogelijk zijn dat iemand dat zomaar doet, in een vlaag van verstandsverbijstering? Iets doet dat tegen zijn/haar natuur ingaat?
Iemand die niet lijdt aan psychoses?
Het schijnt zo.
Dan denk je weer dat het beter is elkaar juist niet door en door te kennen..
==

Bloembakstory

bloemen wild-flowers-571940__340 - kopie
Het volkje in de bloembak bloeide mooier dan ooit.
Klimop, winde, bodembedekkers, tientallen soorten schoonheden rekten hun stelen om zo veel mogelijk zon te vangen.
Ze bezetten elke centimeter, ze waren met velen.
Allen leefden gezamenlijk, als een onnozele natuurvorm die geen ander doel had dan voortbestaan.
Maar het was schijn.
De wisteria was waakzaam in het duister, zijn takken fluisterden in de nacht. Vaagneuriënde melodiën die niettemin begrepen werden in de garden by night.
Sinds kort heerste er ongerustheid.
Alle, echt àlle bloemen bespeurden onheil. Ze staken de kopjes bij elkaar en murmelden, ijselijke geruchten verspreidden zich door de grond. Ze maakten elkaar bang met akelige veronderstellingen.
‘Er liggen botten in onze bloembak,’ zeiden een paar wijsneuzige windjes,’opa vertelde het gisteren..’
‘Echt waar?? Ze zullen toch niet van een kat zijn?’ rilden de lathyrustieners.
‘Of van het Groene Monster, hahaaaa, moord achter de bollen ‘ pestten een paar opgeschoten lummels. Natuurlijk die van de scharnier, de opscheppers.
‘O my god,’ piepten de kleine muurbloempjes, ‘..een dode onder ons, oh my Flora…’
Het was een zorgelijke tijd voor de bloembakbewoners.
Er was iets loos, dat voelden ze aan hun wortels; maar wat?
=
Wordt vervolgd

De daas is dood.

Languit op de ligstoel, profiteren van een echte zomerdag. Dacht ik.
Vijf hele minuten.
Toen verscheen er een paardenvlieg in mijn blikveld, een soort daas, een lange met grijzige strepen, ja die, wiens familie me al vaker roodgenopt had gebeten.
Geschrokken greep ik me vast aan mepper en krant. Hij rondde een flinke bocht  en dook op mijn blote voeten. Ik schopte en hij vloog naar mijn hoofd waarop ik in zijn gezicht hoestte en hij bezwijmd op de armleuning viel.
Maar dan.
-Ik moet bekennen dat ik insecten makkelijk dood mep of plat trap behalve als ze te groot zijn. Ze knerpen onder je schoen of soppen een lijkvlek in de krant waardoor je letterlijk denkt aan moord en bij het bekijken van de drabbige substantie waan je je een dierenbeul. –
Wat nu te doen met het flauwgevallen beest.
Met de mepper veegde ik hem op de krant en liep ermee naar de kliko, daar mocht hij uitzieken.  Halverwege echter bewoog hij weer, paniekerig liet ik hem vallen en sloeg alsnog met de krant.
Te hard, zo bleek.
Het nieuws was bijna  in tweeën en de daas in soepvorm,  losgerukte pootjes plakten op Brexit, saillant detail.

Zoiets was het