Het was een jammerlijk persoon…

studenten11…de jongen die dacht dat hij alles wist.
Wacht even, ik wil niemand kwetsen.
Het zou net zo goed een meisje kunnen zijn. Man of vrouw of queer persoon. Iemand herkent zich misschien al is dit een bedacht verhaaltje en dat zou onterecht zijn.
Ook loop ik het risico zelf een bekende voor mijn geestesoog te krijgen, iemand die, eh…
Beter is het me te verschuilen achter een vreemd wezen, een sprookjesfiguur?
Wolf? Prinses?
Buitenaardse?
Godenfiguur?
De laatste lijkt me wel wat, in de Griekse (verder kwam ik niet) mythologie rommelden ze maar an met hun geslachtelijke kunsten, ze vermomden zich als stier of maakten  halfgoden wanneer ze hun zinnen op een mens hadden gezet en meer van dat.
Maar nu.
Door de lange inleiding ben ik de plot kwijt.
Zaten de Griekse godencapriolen in de weg.
Heb ik natuurlijk willen laten zien dat ik er weet van had. Niet in de gaten hebbend dat ik zelf de persoon kan zijn van de eerste zin.
Dan zou een vroeger verwijt van mijn moeder op waarheid berusten: ‘jij denkt alles te weten maar je snapt niet veel….’  Zelden was ik zo diep verontwaardigd, veertien jaar en te worden afgeserveerd als een klein kind.
Verwarrend allemaal maar het verhaal is nu toch al verknoeid.
Geeft niet.
Morgen kan ook nog.
==

Gedachtenstop

denkenangel-4650355__340
Dat lijkt me rustgevend.
Niet dat ik diep nadenk, het is meer een kwestie van piekeren.
Ligt er nog kaas in de koelkast
dacht ik echt zo pinnig over de kerk
waarom lukt een verhaal niet meer
en de rijmelarij is ook prut tegenwoordig
ik heb geen goeie broek voor de film
en meer van die onnuttige dingen.
Alsof ik niet zonder kaas kan
of de kerk wakker ligt  van mij
en een nieuwe broek die film mooier maakt.
Waarom denk ik dan zo?
Simpel, het overvalt me.
Niet druk genoeg met huishouden, zou schoonmoeder zeggen.
Ga er uit, zou moeder raden.
Neem een biertje, zei een zus.
Daar denk ik dan weer over,
die adviezen.
==

Principetrouw

feminman-1131006__340
Feministe in hart en nieren.
Dat ben ik al had ik er niets aan.
Er mee naar buiten treden had geen zin,
er zaten geen jongens op school.
Vader vond het flauwe kul.
Moeder ging het te ver.
Broers en zussen vertelde ik niets, ze zouden me uitlachen.
Echtgenoot begreep me niet.
De kinderen ook niet.
Honden, hamsters en katten verstonden me niet.
De buurkat evenmin, hij is een schooiende kater.
Nog steeds ben ik het,
feministe in hart en nieren.
Inwendig.
==

Amaryllis en oude planten

AnnieplantIMG-20220126-WA0000Een knoeper als deze kwam ik niet eerder tegen tot ik laatst bij iemand dit wonder zag, maar liefst negen bloemen zaten er in.
Ik moet toegeven dat het bijzonder mooi was.
Het is jaren geleden dat ik er zelf een had, ik wist niet eens dat ze nog bestonden. Andere oude planten als geraniums zet ik wel in de tuin maar binnen? Neuh…
Nog zie ik de begonia’s van mijn moeder, begonia’s en nog meer begonia’s, kennelijk hadden ze de beste overlevingskansen. Met van die minibloemetjes want het waren arme jaren, alles was klein.
Toen kwam er een aronskelk, dat scheen jaren vijftig in de mode te zijn, grafbloemen.  Ze was  reuze trots als er een bloem in kwam.
Ook zag ze ergens een ‘prachtige hangplant’, die kwam aan de muur te hangen, een hertshoornvaren, een afschuwelijk ding met lange uitstekende bladeren als een gewei. Tja, zij vond het mooi en daar ging het maar om.
Het verschil in jaren werd alleen al in de keus van kamerplanten duidelijk, ook bij schoonmoeder.
Wat een vreselijke smaak hadden de mensen toen, denk je dan.
Wat een vreselijke smaak hebben die frollie tegenwoordig, zei schoonmoeder.
Wat de nazaten zullen denken is te voorspellen maar dat doet niets af aan deze superamaryllis.
==

De groeten!

‘Zullen we?’ ‘Moet dat?’ ‘Kom nou mee, ze vraagt altijd naar je.’
Traag trekt hij zijn sloffen uit.
Zij draagt de tas, de andere hand aan zijn arm.
Hij beide handen in zijn zakken, toonbeeld van weerzin.
‘Heb je wel alles uitgedraaid?’ ‘Ja man, drie keer gecontroleerd.’
‘En de kat nog buiten gezet?’  ‘Dat zag je toch zelf.’
bus-stop-391242__340Ze kijken rond, stoppen voor een woonwinkel.
‘Mooi hè, die grote bedden.’ ‘Hm. Staat het slaapkamerraam wel open?’
Geen antwoord.
‘Zeg vrouw, dat raam…’ ‘Dat weet je toch, dat doe ik elke dag.’ Zeur niet zo, zegt haar gezicht.
‘Kom nou, straks missen we de bus.’ ‘We hebben nog een kwartier.’
Hij zucht.
Zij zucht.
‘Ik ben benieuwd hoe het met moeder is, vorige keer leek ze ’n beetje in de war.’ ‘Dat zien we gauw genoeg en kunnen we weer naar huis.’
‘Nou zeg, wat ben je weer vriendelijk. Was dan thuisgebleven.’
De bus stopt, deuren gaan open.
‘Stap nou in, ze wachten, héla, wat ga je doen??”
‘Naar huis, de groeten aan je moeder.’
==

Allemaal weer bijgeknuffeld?

Dan kun je nu die van mij overnemen.
Ik knuffel niet zomaar, eigenlijk haast nooit. Het is voor mij een privé gebaar dat ik niet gauw maak behalve naar gezin en familie.  Ook de drie zoenen hield en houd ik zoveel mogelijk af, het is me te eigen.
Je mag me gerust koel noemen, kil desnoods, het haalt me niet over de streep.
Ik ben heus warm opgevoed. Verjaardagen, lange afwezigheid, examens, gedenkdagen, ze gingen onveranderlijk vergezeld van een arm en dikke zoen van mijn moeder gevolgd door  een iets dunnere en een hand van mijn vader.
Ook bij verdrietigheden als overlijdens kregen we hun aandacht.
Soms komen kat en hond in aanmerking, misschien een koe als ik hem tegenkom. Bomen niet, dat is leuk voor deze koala en voor prinsessen.
koala-4450420__340
Het geknuffel wat ik heb zien groeien, van het gedoe door plakkerige klasgenootjes tot een geaccepteerde gewoonte, daar kan ik niet aan meedoen.
Wanneer iemand me ermee overvalt voel ik me opgelaten en maak me een beetje lacherig los.
Je snapt dat de  afstandsregels van corona me absoluut geen last bezorgden, ook de anderhalve meter niet. Integendeel.
Nu hoef ik niet bang te zijn dat bloggers me knuffelen.  Achter een scherm valt zoiets niet mee en dan de afstanden. Nog afgezien van het feit dat ik geen knuffelzin opwek met de logjes die ik schrijf.
Dus….
… iedereen knuffelt maar zoveel hij wil, ik kijk wel toe.
=

Over de plaats in een gezin.

Eens, lang geleden, las ik dat middelste kinderen van een gezin ondergesneeuwd raakten door de belangstelling voor de oudste en jongste.
Het sprak me zeer aan.
Na mij was kwam nog een broertje,  een lief, een aanvallig ventje, opgewekt, pienter, vol humor, kortom, daar kon ik niet aan tippen.
De broer boven mij, twee jaar ouder,  hielp ook al niet mee, hij was sterker en kon veel beter zwemmen en harder schaatsen en als hij een lekke band had pakte hij ongevraagd mijn fiets.
Je begrijpt:  het artikel was me op het lijf geschreven
Eerlijk gezegd waren we met negen kinderen waarvan ik het achtste was maar door de samenstelling lag het anders, vond ik.
Na de zesde kwamen de drie jongsten wat later: broer, ik, broertje. We hoorden nooit bij de groten zodat we een gezinnetje in een gezin vormden. Logische gedachte toch?
Enfin.
Het artikel sloot precies aan bij mijn dagelijkse problemen: grotere broer was de baas, kleine broertje de lieveling en ik bungelde er maar wat bij.
En nu dit, door een heuse deskundige bedacht. Eindelijk gerechtigheid.
Toen ik een zus het artikel liet lezen lachte ze me uit. De anderen ook en de bazige broer het hardst.
Mijn moeder gooide het in de kachel, mopperend dat ik van grote-mensen-spullen moest afblijven.
Weg erkenning en dat op mijn tiende. Gottegot.
Beide broers leven niet meer maar wat hebben we er hard om gelachen. Later. Toen ik niet meer jaloers hoefde te zijn.
==
Het kwam uit de Margriet waarin dr. Sis Heyster dit soort artikelen schreef. De naam kwam ik opnieuw tegen bij google.
==

Een serieuze les.

‘Maar,’ zei ze ‘mijn gevoel voor humor raak ik niet kwijt.’  Wie zei dat? Moeder natuurlijk.
Meestal kwam er achteraan ‘zorg dat je dat niet verliest, het is belangrijk.’
Nu vind ik het niet makkelijk om verdriet zomaar even weg te lachen.
Maar toch, er is wel iets van waar.
Uit ervaring weet ik dat gezinszorgen draaglijker werden met een lach, het kleinste spoortje van een glimlach werd opgepikt. Niet altijd gemakkelijk maar het werkte.
Natuurlijk denkt niet iedereen daar hetzelfde over.
Ik ken een man die niet begrijpt dat zieke of gehandicapte mensen plezier hebben. ‘Ze zitten in een rolstoel en ze lachen nog,’ verbaast hij zich. Hetzelfde bij een reportage over armoede en honger, ‘dat ze nog humor hebben…’ is zijn commentaar. Hij zou, vrees ik, terneergeslagen door het leven gaan wanneer hij getroffen werd door iets vreselijks hetgeen een situatie nog vreselijker maakte.
Daarover doordenkende moet ik Moe gelijk geven, op zijn minst haar woorden in gedachten houden, herkauwen en uitproberen.
Maar je moet het even snappen, besefte ik later, veel later.
Je lacht niet om het verlies van een dierbare.
Ook niet als het ‘alleen maar’ een huisdier is.
Evenmin om  problemen in huwelijk, gezin, school, familie, ziektes.
Pas naderhand, als de mist van verdriet optrekt, het dagelijks leven weer zichtbaar wordt, ja dàn.
Dan kan er iets humoristisch voorvallen wat je aanspreekt. Een blij kind. Hond of kat, wat dan ook.
En is lachen bevrijdend.
Maar ik snap dat het voor velen anders is.
==

Lezend over de leeuw

‘….hun jachttactieken zijn effectief…. met één klap van de klauwen kunnen zij een groot dier vellen, en hun schaar-achtige tanden kunnen vlees afscheuren, snijden en vermalen….’
Klopt.

Als kind al jaagde ik als een wild beest op randjes vet aan het vlees, een korreltje zand in de spinazie, stukjes kraakbeen in ham, en vermorzelde ze.
Niet met de kaken maar minstens zo effectief  was de vork waarmee ik de vijanden eruit pulkte, plette en onder de rand van mijn bord verstopte. Tot ergernis van mijn moeder die alles naar eer en geweten had schoongemaakt en gekookt maar ja,  koken voor een leeuwin was niet gemakkelijk.
Op dezelfde manier verdedigde ik eigendommen als speelgoed, van kleurboek tot stoepkrijt. Met broers moest je oppassen. Ze  mochten met mijn spullen omgaan maar waren er te makkelijk mee en raakten alles kwijt.  Vechtlustig hield ik hen in de gaten en hield als borg een van hun spelletjes in handen.
Soms brulde ik een waarschuwing en dat die niet ernstig genomen werd is me nog steeds een gruwel.
Met de nobele kanten van de leeuw heb ik weinig ervaring.
Je kunt niet alles hebben.

Leeuw. Mijn sterrenbeeld.
==

Therapie, verhaaltje.

De lastige tiener Lenny werd naar een therapeut gestuurd.
– Alstublieft, verzocht de moeder, probeert U haar wat fatsoen en manieren bij te brengen, ons lukt het niet.
De man deed zijn best Hij luisterde, knikte en luisterde nog meer.
= Meneer, ik kan het niet helpen, klaagde Lenny, mamma moppert altijd, ik moet van alles en mag nooit wat, alles moet naar haar wil, ik doe het nooit goed….=
De therapeut gaf aan dat hij ook met de moeder wilde spreken, de narigheid moest toch èrgens vandaan komen. Ze kwam, hij luisterde en knikte.
= Meneer, ik kan er niets aan doen dat ik zo geworden ben,klaagde ze, mijn moeder, Lenny’s oma, was zo bazig, mijn vader had niets te vertellen, vreselijk en zo was het met alles….=
Bedachtzaam knikkend vroeg de therapeut de oma te spreken.
Ook naar haar luisterde hij.
= Meneer, mijn moeder was erger dan Kenau, dan word je vanzelf lastig en dat geef je ongewild door… huiverde oma.. =
Overopoe leefde nog en werd opgeroepen.
=Meneer, kakelde ze, mijn moeder was een feeks en sloeg met de heibezem tot er geen tak meer aanzat, ik heb vreselijk geleden…=
Ten slotte kwamen ze bij Eva.
= Meneer, ik had geen moeder en heb daar zeer onder geleden.
Ik had een onbegrijpelijke schepper die niet door had wat hij in elkaar knutselde maar wel een bespottelijke eis stelde met een gluiper als handlanger. Dàt is de werkelijke erfzonde.
Hoe kan een vrouw hiermee dealen, daar raakt ze vanzelf gestoord van en de nakomelingen ook. En nu word ik alsnog op het matje geroepen…. =
In de therapeut ontstond een vage gedachte aan begrip maar hij zei niets.
Hij knikte slechts en luisterde.
===

.