herfst·vervolgverhaal

Herfststorm in drie hoofdstukken. Slot.

Toen grepen we in.
Een ramp overleven en met een aftandse haas afgescheept worden? Nee…
We keken  elkaar aan en begrepen.
Brachten het waterkanon in stelling en schoten Willem met al zijn dieren de fietsenstalling uit, de donkerte in, Sjaak en de leeuw joegen we er achteraan. Haas en kalkoen stopten we in een zak, daar zou de kookschool wel weg mee weten.
De scholieren namen de buit in hun armen, vertroetelden en voerden wortels en maïs. ‘Eerst bijvoeren,’ zeiden ze, ‘dan zijn ze met kerstmis eetbaar.’ Daar hadden beide dieren vrede mee.
Dankbaar waren de leerlingen ook, ze hadden niet veel op met loslopend vee en schreeuwende broers, ze bakten als dank verse aardappelen met champignons,  maakten verantwoorde mayonaise  met tijm en peterselie, ze plukten zelfs tomaten en sla, en dat midden in de nacht.
Gretig doken we op de maaltijd, hongerig als we waren door de stormachtige gebeurtenissen.
Na de koffie bekeken we ons huis waar de ravage ons zo afstootte dat we meteen om een voordelige woning mailden die onmiddellijk werd geleverd.
We zetten hem op een mooie plek.
In de opkomende zon en een schoongewaaide lucht rustten we uit op ons spiksplinternieuwe terras met uitzicht op de populinde waarvan de takken al aardig uitliepen.
We waren moe. Een nacht als deze, besloten we, willen we nooit meer meemaken.
En sliepen in.

verhaaltje

Rondje om de aarde. Toepasselijk oudje bij storm.

Het stormde; een taaie wester die de meeste mensen binnen deed blijven.
Overdreven leek me maar toen ik voor een boodschap naar het dorp ging waaide ik van lantaarnpaal naar bushalte naar stopbord, waaraan ik me telkens vastklampte. De wind was sterker dan ik verwachtte.
Tenslotte verloor ik.
Ik vloog de lucht in, samen met een paar andere overmoedigen.
Hah! Niets konden we uitrichten tegen deze windkracht.
We werden op een kluitje geblazen en vlogen naar het oosten. Angstig grepen we elkaars handen, keken fronsend naar het Ruhrgebied onder ons en waaiden verder. Boven Polen kwamen we in een wolk van zloty’s terecht; we staken er geen vinger naar uit, verbaasd als we waren dat ze nog in gebruik waren al was het maar door de wind.
De storm joeg ons door, almaar door, we zagen Moskou; Russen zwaaiden naar ons, ze leken het heel gewoon te vinden dat er een trosje mensen door de lucht vloog. Even dachten we Poetin te herkennen maar het was iemand anders met een muizengezicht.
Een lid van ons groepje begon te klagen over de kou; inderdaad had hij ijspegels aan zijn neus hangen maar we wisten niet beters te doen dan zijn colbertje dicht te knopen. Wie had ook gedacht dat we de lucht in zouden worden geblazen?
De storm liet niet af.
De Beringzee kwam in zicht.  Mijn god, de kou golfde op ons af en we doken diep in onze kragen. Ach, steunde een man, was ik maar bij moeders thuis gebleven. Hij werd er niet warmer van.
Canada. Sneeuw, ijs en nog meer wind, zowel Franse als Britse maar de laatste had meer kracht en blies ons de oceaan over.
Ierland, Engeland, een piloot van een Ryan Air toeterde en stak zijn hand op. We knikten, onmachtig terug te zwaaien met onze verkleumde armen.

En toen, toen ging hij liggen, heel zachtjes en we landden voorzichtig in de straten van ons dorp.
Op de tenen liepen we naar huis, bang hem weer wakker te maken.
==========
==========
Krachtige windstoten