Over complimenten


Een van de beste dingen die iemand kan geven en krijgen, mooier dan een echt cadeautje.
Hoe kon je als kleintje stralen als iemand jouw jasje mooi vond, liep je niet rond als een pauw?
Met het groter worden bekeek je het anders.
De complimenten van Moe waren goedbedoeld maar hadden weinig waarde, ze vond al haar kinderen artistiek, knap en pienter. Haar woorden zeiden ons niet veel.
Over die van vrijers kan ik kort zijn: liefde maakt blind. Een amusant gedoe omdat het de lachlust opwekte in huiselijke kring. Het was niet aardig van me maar sommige dingen móést ik kwijt: ‘Weet je wat hij zei? Hij vond me een engeltje….’
Lieve woordjes van de kinderen waren ontroerend, daar genoot ik van. Die hoorde ik graag, wie niet? En van echtgenoot, uiteraard.
Eens kreeg ik een onhandig maar schattig compliment van een man in een mailgroepje.
Het onderwerp was een gerecht waarover we ieder een eigen idee inbrachten. Tijdens het schrijven liep het water me in de mond, misschien te duidelijk.
Zijn reactie:
‘Potverdomme, wat kun jij me lekker schrijven.’

Op school scoorde ik er niet veel. En mòcht iemand me iets vriendelijks zeggen dan gebeurde het geen tweede maal. Mijn stuurse gezicht hielp ook niet mee.
Ik kon er niet mee omgaan, geloofde ze niet altijd en werd er onzeker van.
Misschien was het de puberteit, een gemankeerde karaktertrek, ik weet het niet.
Maar opeens was ik volwassen.
Toen deed het er minder toe.
==

Advertenties

Man-vrouw-taakverdeling. ’50-’60

Grote zussen spraken over hun kindertijd.
Weet je nog dat we te lang kletsten in bed?
O jaaa, dat Moe ons uiteindelijk strafte met haar pantoffel. We hoorden haar de trap al op komen met ongelijke stap, één slof in haar hand en doken alvast onder de dekens. We  kermden bij voorbaat alsof we geslacht werden…..
Wij, jongsten, kenden dit niet. En pa? vroegen we, wat deed die dan?
Die liet het aan moe over. Zo ging dat toen.
Ik zou dat niet geaccepteerd hebben toen we zelf in de kleintjes zaten.

Toch was die taakverdeling in de jaren vijftig niet altijd zo vrouwonvriendelijk als het nu lijkt.
Door elkaar genomen hadden mannen en vrouwen redelijk vaste patronen waar beide partners vrede mee konden hebben.
Mijn vader hoefde geen huishoudelijke klusjes te doen en mijn moeder nooit iets in de tuin, schuur of wat dan ook buiten. Kinderen opvoeden was nogal eens een heikele kwestie (“zeg jij ook eens wat!”).
Het ging aardig goed bij de meeste mensen die ik kende. Ook waren man en vrouw niet te beroerd elkaar een handje te helpen in noodgevallen.
Men wist niet beter, veel mensen vonden het prima zo. Priesters en dominees hielpen daarbij.
Dit gold voor arbeiders en vergelijkbare standen, bij de gegoeden zagen we dienstmeisjes en tuinmannen werken. Wat die vrouwen zelf deden was ons een raadsel.
Ik dacht dat ze de hele dag in tijdschriften bladerden en naar de radio luisterden tot mijn moeder me uitlegde dat  de vrouw van de dokter haar man assisteerde bij het klaarmaken van medicijnen, net zoiets als de vrouw van de kruidenier in de winkel hielp.

Voor de vrouwen die meer in hun mars hadden was het minder mooi,  ook bescheiden eisen werden niet altijd ingewilligd. Terwijl in menig huishouden juist de vrouw het reilen en zeilen bestuurde,  financiën beheerde en uitgaven controleerde. Dat mocht ze wèl.

Mijn moeder las en leerde graag.
Scholen en cursussen waren te duur maar ze spaarde als een vrek om toch een talencursus te volgen.
En gelijk had ze.

De Bank van Moe (Nu Rabo)

‘Kind, de Boerenleenbank is héél belangrijk, zorg dat je daar een goede naam houdt dan is hij ook goed voor jou als je hem nodig hebt!’
Aldus mijn moeder.
Deze belangrijke boodschap kregen we allemaal mee.
Ze vertrouwde de bank volkomen en had er de hypotheek lopen.
Volgens mij knielde ze als er langs liep.
Het vroegere postkantoor beschouwde ze ook als een bijna religieus centrum, zij het iets gemoedelijker want het waren onze overburen.
Menige betaling of ontvangst ging per postwissel of girokaart. Alle officiële geldelijke handelingen vertrouwde ze eerder dan contante afrekening. Dat was geschikt voor de ‘gewone’ zaken als leveranciers of zakgeld.
Wonderlijk, als arbeidersvrouw kreeg ze vroeger het weekloon van mijn vader juist gewoon cash in een loonzakje, de meeste mensen die ik kende handelden daarnaar.
Zo niet Moe.

We deden ons best; spaarden centen in een dichtgeplakte Buismanbus, later op een echt spaarbankboekje en sloten hypotheken  af bij ‘haar’ bank met de gedachte dat die zo goed  voor ons zou zijn.
Daar wachten we nog steeds op.
-==
(logje uit 2011. Herzien)
Hoofdkantoor Utrecht. Foto van
wikipedia

De schilders

Ons ouderlijk huis was er een van hout, een klein Zaans pandje.
De schuur was ook van hout. En de schuur van de buren, waarvan de achterkant aan onze stoep grensde.
Zelfs de wc’s waren van hout, zoals alle wc’s in de Dorpsstraat.
Dat vergde het nodige onderhoud, daarom was er altijd verf aanwezig, zorgvuldig opgeborgen.
Toch had broertje een pot gevonden, een groot blik carbolineum.
Vijf of zes jaar was hij, maar samen met een vriendje wist hij het open te krijgen en kwasten te versieren.
Ze maakten een plan en gingen aan de slag. Stiekem, het moest een verrassing worden.
En dat was het.
Vader kwam uit zijn werk; broertje & co wachtten hem op:
‘Pa, we hebben de wc geverfd!’
Verwonderd keek pa naar de bruinzwarte jongetjes die naar het erf holden en trots bij hun werkstuk bleven staan.
Sprakeloos overzag hij de zwartstreperige wanden en deur.
Ze hadden niets vergeten, ook het interieur was geschilderd tot de zitplank aan toe.
Hij haalde moeder erbij: ‘Moet je nou es kijken ….’
Moe kwam, keek, maar ook zij wist niets uit te brengen; ze stikte bijna van het lachen.

Het is nog vaak verteld en mooier gemaakt maar dit is de waarheid.
De jongens verfden enkel de wc, maar dan ook helemaal.
Van de afloop herinner ik me vooral de lucht van wasbenzine waarmee broertje gereinigd werd; de ergste klodders verdwenen, de rest van de verf moest er af slijten.

Herfststorm in drie hoofdstukken. Slot.

Toen grepen we in.
Een ramp overleven en met een aftandse haas afgescheept worden? Nee…
We keken  elkaar aan en begrepen.
Brachten het waterkanon in stelling en schoten Willem met al zijn dieren de fietsenstalling uit, de donkerte in, Sjaak en de leeuw joegen we er achteraan. Haas en kalkoen stopten we in een zak, daar zou de kookschool wel weg mee weten.
De scholieren namen de buit in hun armen, vertroetelden en voerden wortels en maïs. ‘Eerst bijvoeren,’ zeiden ze, ‘dan zijn ze met kerstmis eetbaar.’ Daar hadden beide dieren vrede mee.
Dankbaar waren de leerlingen ook, ze hadden niet veel op met loslopend vee en schreeuwende broers, ze bakten als dank verse aardappelen met champignons,  maakten verantwoorde mayonaise  met tijm en peterselie, ze plukten zelfs tomaten en sla, en dat midden in de nacht.
Gretig doken we op de maaltijd, hongerig als we waren door de stormachtige gebeurtenissen.
Na de koffie bekeken we ons huis waar de ravage ons zo afstootte dat we meteen om een voordelige woning mailden die onmiddellijk werd geleverd.
We zetten hem op een mooie plek.
In de opkomende zon en een schoongewaaide lucht rustten we uit op ons spiksplinternieuwe terras met uitzicht op de populinde waarvan de takken al aardig uitliepen.
We waren moe. Een nacht als deze, besloten we, willen we nooit meer meemaken.
En sliepen in.

Rondje om de aarde. Toepasselijk oudje bij storm.

Het stormde; een taaie wester die de meeste mensen binnen deed blijven.
Overdreven leek me maar toen ik voor een boodschap naar het dorp ging waaide ik van lantaarnpaal naar bushalte naar stopbord, waaraan ik me telkens vastklampte. De wind was sterker dan ik verwachtte.
Tenslotte verloor ik.
Ik vloog de lucht in, samen met een paar andere overmoedigen.
Hah! Niets konden we uitrichten tegen deze windkracht.
We werden op een kluitje geblazen en vlogen naar het oosten. Angstig grepen we elkaars handen, keken fronsend naar het Ruhrgebied onder ons en waaiden verder. Boven Polen kwamen we in een wolk van zloty’s terecht; we staken er geen vinger naar uit, verbaasd als we waren dat ze nog in gebruik waren al was het maar door de wind.
De storm joeg ons door, almaar door, we zagen Moskou; Russen zwaaiden naar ons, ze leken het heel gewoon te vinden dat er een trosje mensen door de lucht vloog. Even dachten we Poetin te herkennen maar het was iemand anders met een muizengezicht.
Een lid van ons groepje begon te klagen over de kou; inderdaad had hij ijspegels aan zijn neus hangen maar we wisten niet beters te doen dan zijn colbertje dicht te knopen. Wie had ook gedacht dat we de lucht in zouden worden geblazen?
De storm liet niet af.
De Beringzee kwam in zicht.  Mijn god, de kou golfde op ons af en we doken diep in onze kragen. Ach, steunde een man, was ik maar bij moeders thuis gebleven. Hij werd er niet warmer van.
Canada. Sneeuw, ijs en nog meer wind, zowel Franse als Britse maar de laatste had meer kracht en blies ons de oceaan over.
Ierland, Engeland, een piloot van een Ryan Air toeterde en stak zijn hand op. We knikten, onmachtig terug te zwaaien met onze verkleumde armen.

En toen, toen ging hij liggen, heel zachtjes en we landden voorzichtig in de straten van ons dorp.
Op de tenen liepen we naar huis, bang hem weer wakker te maken.
==========
==========
Krachtige windstoten