kapsels

(niet) over kapsels

Op de tv was een vrouw te zien met een te jong kapsel. Of zij te oud. Jammer, dacht ik.
Later kwam een man voorbij met een vergelijkbare haardracht. Zal een pruik zijn, leek me.
Net toen ik dacht: wat kan jouw iemands kapsel schelen, viel mijn oog op wéér een bijzondere bos. Gelukkig had ik een boek en kon de tv uit.
Toch dwaalden mijn gedachten af.
Wat maakt me zo kinderachtig kritisch, ben ik zelf zo mooi dan, die mensen zijn prima en hun haren ook, wat zeur ik nou, en meer.
Daarmee kwam ik weer (een mens denkt er wat af) op iemand die me na één kapsel-opmerking een kam zou aanreiken. En werd er gegrapt en mijn gezever zou afgelopen zijn.
Eigenlijk waren het twee mensen.
Een zus die feilloos mijn stemming peilde en met humor antwoordde. En Moe die me terecht wees: kijk eerst eens naar jezelf. Die zin haatte ik, toen.  Pas later werd ik wijzer enzovoorts enzovoorts.
Zo verder neuzelend vergat ik de kapsels, las een hoofdstuk, zette later de tv weer aan voor wat mooiers en wat zien ik?

=

fatsoenlijk.

Een net oudje

Kind, dat is toch een leuke jongen? Ziet er keurig uit, netjes geknipt.
Wie had je bij je gister? Zo te zien een fatsoenlijk meisje, net gezin zeker?.
Waarom draag je die broek niet vaker, staat je zo keurig.
Zucht.
Complimenten als keurig en netjes deden me meteen naar boven vliegen om me te verkleden.
Fatsoenlijk, grrrrr. Vreselijk, afschuwelijk, ijselijk, dit soort woorden eindigen niet voor niets op -lijk: je wilde zo nog niet dood gevonden worden.
Het waren woorden die we associeerden met stijf en truttig, braaf. Fantasieloos en niks durvend. Een soort engel.
Hoewel ze zelf juist een vlotte vrouw was had ze liever volgzame dochters maar ja, vroeger waren ouders altijd bang voor onverhoedse zwangerschappen.
Dat begreep ik later.
Bij het volwassen worden veranderde ik niet echt. En nu ik oud ben nog steeds niet helemaal.
Maar er is verschil.
Afzakkende schoudershirtjes, zwarte mascara, te strakke rokjes met brede ceintuurs, vreemde kapsels, het is er niet meer bij.
In de spiegel zie ik een gewoon gemiddeld vrouwmens.
Ongeveer vijftig procent,  veertig misschien, maar zéker dertig procent van die nette dochter ben ik dan toch geworden. Uiteindelijk.
Jammer dat Moe het niet meer ziet.
==
de appel valt...

De appel valt…

Champignons, ze zagen er zo mooi uit dat ik een doosje meenam en smakelijk opat.
Al etende dacht ik onwillekeurig: goed dat Moe het niet ziet.
Zij was matig in gebruik van voedsel. Van kleding, drinken, van alles eigenlijk. Ook toen het niet meer nodig was, het zal de gewoonte zijn geweest.
Ik had daar een hekel aan, noemde het bekrompen, zo arm waren we toch niet meer?
Ze verdedigde zich met verstandige woorden. Zuinig, gezond en meer van dat.
Dat raak je nooit kwijt, het zit me ingebakken bij veel aankopen: goed dat Moe het niet ziet.

Toch kon ze best uit de band springen door iets te doen wat niemand deed, althans, niet in de familie.
Een stukje echt bont kopen en op de kraag van haar mantelpak laten zetten.
Een veel te grote hoed dragen vóór het in de mode kwam.
Waardeloze maar sjieke schoenen dragen. In het huishouden….
Af en toe  -echt héééél af en toe vanwege de prijs-  op zaterdag biefstuk eten, ieder een lapje van ca 100 gram.
Een boek kopen. Van die dingen.
En toen hoorde ik haar zeggen:  als mijn vader dit eens wist.
==

 

bang

Over bang

Dat ben ik, van aard. Overgeërfd misschien.
Of waren een paar dingen toch van invloed? Ik weet het niet, in grote gezinnen had je altijd wel iemand die je aan het schrikken maakte.
Er was een zus die graag enge dingen deed als plotseling voor en donker raam staan. Ik was haar meest gewilde slachtoffer.
Grote zesdeklassers met griezelpraatjes over rare mannen in de bosjes, gluipers die in het donker rondslopen.
Natuurlijk hadden we ook een lollige oom die ons de stuipen op het lijf joeg met aanschouwelijke beelden van de bullebak en tientonen, wonend in ons  modderslootje.
Dan had je nog iemand die grappig dacht te zijn.
Wachtend op de trein stond hij op het randje van het perron en zei dan: je zou toch met je hoofd op de rails vallen.
Of op de pont deed alsof hij het IJ in zou rijden.
Echt overal deed hij zoiets, de lammeling.
Hij zal zelf wel bang zijn geweest.

Moe verbood bangmakerij ten strengste maar ja, achter haar rug gingen de dingen hun eigen gang.
Nu zit ik er mee opgescheept.
In elke hoek zie ik een griezel van draculaformaat en schrik me dood van mijn spiegelbeeld. Schuifelend verplaats ik me door de straten, vraag me af wat er in deze laptop huist en wie zegt dat de buurkat niet een verkapt monster is?
Nou? Nou??
==

kerst

Kersteten

De dag is om.
Ik ben klaar met de dingen voor morgenavond en daar denk ik nu over na.
Half voor de grap maar met een serieuze ondertoon riep ik  ‘Kerstdiner van patat met fricandel en een ijsje toe. Dat is genoeg.’ Meteen hapten een paar mensen.’Jaaa, we doen mee.’
Ik blij, zij blij. Afgesproken voor kerstavond.
Tja.
Huisvrouwenbloed raak je niet kwijt of is het kooklust? Keukentrots? Kijk mij eens?
Dus wederom geshopt voor een paar extra groente-, wijn-  en vleessoorten, bijgerechten, desserts, bier, servetten.
Het tafellaken inspecteren en….
Soms word je moe van jezelf.
-=

versje

Arme zon


Ik ben zo moe
vol oeroud zweet
en niemand weet
van het taboe
dat me verbied
te stoppen met
dat schijnballet
zo hypocriet.
.
De ruimte is
een vat vol dwang
je leven lang
bemoeienis
je doet wat moet
en je begroet
de erfenis
van plichtsgevoel.
De ruimte is een dooie boel.
==

compliment

Over complimenten


Een van de beste dingen die iemand kan geven en krijgen, mooier dan een echt cadeautje.
Hoe kon je als kleintje stralen als iemand jouw jasje mooi vond, liep je niet rond als een pauw?
Met het groter worden bekeek je het anders.
De complimenten van Moe waren goedbedoeld maar hadden weinig waarde, ze vond al haar kinderen artistiek, knap en pienter. Haar woorden zeiden ons niet veel.
Over die van vrijers kan ik kort zijn: liefde maakt blind. Een amusant gedoe omdat het de lachlust opwekte in huiselijke kring. Het was niet aardig van me maar sommige dingen móést ik kwijt: ‘Weet je wat hij zei? Hij vond me een engeltje….’
Lieve woordjes van de kinderen waren ontroerend, daar genoot ik van. Die hoorde ik graag, wie niet? En van echtgenoot, uiteraard.
Eens kreeg ik een onhandig maar schattig compliment van een man in een mailgroepje.
Het onderwerp was een gerecht waarover we ieder een eigen idee inbrachten. Tijdens het schrijven liep het water me in de mond, misschien te duidelijk.
Zijn reactie:
‘Potverdomme, wat kun jij me lekker schrijven.’

Op school scoorde ik er niet veel. En mòcht iemand me iets vriendelijks zeggen dan gebeurde het geen tweede maal. Mijn stuurse gezicht hielp ook niet mee.
Ik kon er niet mee omgaan, geloofde ze niet altijd en werd er onzeker van.
Misschien was het de puberteit, een gemankeerde karaktertrek, ik weet het niet.
Maar opeens was ik volwassen.
Toen deed het er minder toe.
==

gezin

Man-vrouw-taakverdeling. ’50-’60

Grote zussen spraken over hun kindertijd.
Weet je nog dat we te lang kletsten in bed?
O jaaa, dat Moe ons uiteindelijk strafte met haar pantoffel. We hoorden haar de trap al op komen met ongelijke stap, één slof in haar hand en doken alvast onder de dekens. We  kermden bij voorbaat alsof we geslacht werden…..
Wij, jongsten, kenden dit niet. En pa? vroegen we, wat deed die dan?
Die liet het aan moe over. Zo ging dat toen.
Ik zou dat niet geaccepteerd hebben toen we zelf in de kleintjes zaten.

Toch was die taakverdeling in de jaren vijftig niet altijd zo vrouwonvriendelijk als het nu lijkt.
Door elkaar genomen hadden mannen en vrouwen redelijk vaste patronen waar beide partners vrede mee konden hebben.
Mijn vader hoefde geen huishoudelijke klusjes te doen en mijn moeder nooit iets in de tuin, schuur of wat dan ook buiten. Kinderen opvoeden was nogal eens een heikele kwestie (“zeg jij ook eens wat!”).
Het ging aardig goed bij de meeste mensen die ik kende. Ook waren man en vrouw niet te beroerd elkaar een handje te helpen in noodgevallen.
Men wist niet beter, veel mensen vonden het prima zo. Priesters en dominees hielpen daarbij.
Dit gold voor arbeiders en vergelijkbare standen, bij de gegoeden zagen we dienstmeisjes en tuinmannen werken. Wat die vrouwen zelf deden was ons een raadsel.
Ik dacht dat ze de hele dag in tijdschriften bladerden en naar de radio luisterden tot mijn moeder me uitlegde dat  de vrouw van de dokter haar man assisteerde bij het klaarmaken van medicijnen, net zoiets als de vrouw van de kruidenier in de winkel hielp.

Voor de vrouwen die meer in hun mars hadden was het minder mooi,  ook bescheiden eisen werden niet altijd ingewilligd. Terwijl in menig huishouden juist de vrouw het reilen en zeilen bestuurde,  financiën beheerde en uitgaven controleerde. Dat mocht ze wèl.

Mijn moeder las en leerde graag.
Scholen en cursussen waren te duur maar ze spaarde als een vrek om toch een talencursus te volgen.
En gelijk had ze.

banken·geld

De Bank van Moe (Nu Rabo)

‘Kind, de Boerenleenbank is héél belangrijk, zorg dat je daar een goede naam houdt dan is hij ook goed voor jou als je hem nodig hebt!’
Aldus mijn moeder.
Deze belangrijke boodschap kregen we allemaal mee.
Ze vertrouwde de bank volkomen en had er de hypotheek lopen.
Volgens mij knielde ze als er langs liep.
Het vroegere postkantoor beschouwde ze ook als een bijna religieus centrum, zij het iets gemoedelijker want het waren onze overburen.
Menige betaling of ontvangst ging per postwissel of girokaart. Alle officiële geldelijke handelingen vertrouwde ze eerder dan contante afrekening. Dat was geschikt voor de ‘gewone’ zaken als leveranciers of zakgeld.
Wonderlijk, als arbeidersvrouw kreeg ze vroeger het weekloon van mijn vader juist gewoon cash in een loonzakje, de meeste mensen die ik kende handelden daarnaar.
Zo niet Moe.

We deden ons best; spaarden centen in een dichtgeplakte Buismanbus, later op een echt spaarbankboekje en sloten hypotheken  af bij ‘haar’ bank met de gedachte dat die zo goed  voor ons zou zijn.
Daar wachten we nog steeds op.
-==
(logje uit 2011. Herzien)
Hoofdkantoor Utrecht. Foto van
wikipedia

schilders

De schilders

Ons ouderlijk huis was er een van hout, een klein Zaans pandje.
De schuur was ook van hout. En de schuur van de buren, waarvan de achterkant aan onze stoep grensde.
Zelfs de wc’s waren van hout, zoals alle wc’s in de Dorpsstraat.
Dat vergde het nodige onderhoud, daarom was er altijd verf aanwezig, zorgvuldig opgeborgen.
Toch had broertje een pot gevonden, een groot blik carbolineum.
Vijf of zes jaar was hij, maar samen met een vriendje wist hij het open te krijgen en kwasten te versieren.
Ze maakten een plan en gingen aan de slag. Stiekem, het moest een verrassing worden.
En dat was het.
Vader kwam uit zijn werk; broertje & co wachtten hem op:
‘Pa, we hebben de wc geverfd!’
Verwonderd keek pa naar de bruinzwarte jongetjes die naar het erf holden en trots bij hun werkstuk bleven staan.
Sprakeloos overzag hij de zwartstreperige wanden en deur.
Ze hadden niets vergeten, ook het interieur was geschilderd tot de zitplank aan toe.
Hij haalde moeder erbij: ‘Moet je nou es kijken ….’
Moe kwam, keek, maar ook zij wist niets uit te brengen; ze stikte bijna van het lachen.

Het is nog vaak verteld en mooier gemaakt maar dit is de waarheid.
De jongens verfden enkel de wc, maar dan ook helemaal.
Van de afloop herinner ik me vooral de lucht van wasbenzine waarmee broertje gereinigd werd; de ergste klodders verdwenen, de rest van de verf moest er af slijten.