Verscholen bloem

Waarschijnlijk groeien er in elke tuin nog bloemen.
Hier ook, het houdt de boel fleurig.
Maar die ene oost indische kers baart me zorgen.
Hij houdt zich verscholen. Dat is niet goed, niet des bloems.
Ik probeer hem te lokken met mooie praatjes.
Hij weigert.
Net een koppige mens. Of een bange?
Straks gaat hij dood zonder te hebben geleefd.

Advertenties

Vies versje

Er was eens een misselijk mens
ze voelde haar maag zeer intens
eenieder liep wijd om haar heen
ze zag niets, ze wilde alleen
de maag leeg, haar enige wens.

Ze nam een hap zout om te braken
en spande alvast hare kaken
teneinde te spuien het maal
in één grote vuilvette straal
van voedsel in diverse smaken.

Ze schoonde haar mond met een spuugslab
en veegde hem af aan haar nekkwab
‘Niks waard, dat gekots
tis tegen mijn trots.’
Toen nam zij als troost ene speklap.
=

Goeie god

Na enige aarzeling  heb ik de reis naar god weer eens ondernomen.
Wederom werd ik vriendlijk ontvangen al ontging me Petrus’ verholen zucht niet.
‘En, Bertjens, heb je weer wat?’ vroeg hij.
Hij humde geërgerd, duimde op zijn iPod, knikte en verwees me naar de spreekkamer.
God kwam me tegemoet. ‘Is hij chagrijnig?’ vroeg ik, wijzend naar Petrus.
‘Dag Bertjens,’ groette god, ‘en nee, hij vind het alleen overdreven dat jij regelmatig hier komt.’
“Nou zeg, één keer voor een nieuw lontje, ’n keer om te zien of het hier de moeite waard was, één keer met mijn raket, een keer…’
‘Ho maar, ik weet het nog. De kwestie is dat de mens, normaal gesproken, hier aanklopt wanneer hij/zij dood is. Alleen jij niet. Je hebt geen geduld.’
‘Dat is dan mooi stom van de mensen’, zei ik, ‘wat doen ze aan de mankementen tijdens hun leven?’
‘Verdragen, Bertjens, eventueel met een psychologische steuntje. Dat leert een mens van priesters.’
Ik keek hem aan. ‘Ga weg…’
Ongemakkelijk draaide hij op zijn stoel. ‘Ehm, dat is de bedoeling. Maar wat kan ik voor je doen deze keer.’
‘Een verbeterd geheugen alstublieft, ik vergeet meer dan nodig is. Zelfs mijn gat als dat niet vastzat.’
Hij knikte, ‘dat zei je moeder ook al. Ik wil het je wel geven maar dan krijg je àlles, realiseer je je dat?’
‘Geeft niets.’ Ik blufte omdat ik mijn zin wilde hebben.
‘Goed. Veel plezier dan maar.’ Hij zegende me en ik vertrok.

Eenmaal thuis genoot ik van de verbetering. Het begon  heel goed.
Niet meer zoeken naar dat pannetje, hoelang de aardappels kookten, sleutels terug, het was werkelijk een groot gemak.
Opgewekt vierde ik mijn nieuwe geheugen met een bezoek aan de bibliotheek.
Maar, hoe, wat gebeurde er? Bij elk gelezen boek speelden verhalen in mijn hoofd, schrijversnamen, uitgeversinformatie
‘Hallo,’ zei iemand die ik kende, ik draaide me om en ook van hem herinnerde ik me alles.
Iedereen op wie ik mijn blik richtte, elk voorwerp dat ik bekeek, zette mijn geheugen in werking.
Dit was vreselijk.
Terneergeslagen keerde ik huiswaarte en appte god.
Kreeg ik waakhond Petrus weer.
‘Sorry maar dit was niet wat ik bedoelde. Ik word gek,’ typte ik.
Hij gniffelde.
Ik zag hem bellen. ‘Baas,’ hoorde ik, ‘die hebberig vrouw weer, ze is niet tevreden. Zal ik haar een griepje sturen?’
‘Foei Petrus. Zeg haar dat ik het geheugen zal aanpassen naar behoefte en groet haar hartelijk. Het is best een aardig mens.’
‘Hmgrmompel….’
Hij wendde zich naar mij.
‘Je krijgt je zin weer, god is nu eenmaal wereldvreemd.’

Sportdag van de spinnen. Vierde en laatste deel.

Ze weven grapteksten tussen de takken.
‘ET in Spinnenland’, ‘The Martians are coming’. Kinderen doen mee: ‘Gremlinspider voor Sinterklaas.’
De mens, zich niet bewust van de commotie boven zijn hoofd, drentelt ongeduldig heen en weer; hij vraagt zich af wanneer er een ruimteboodschap komt en gaat zelf op onderzoek uit.
Hij speurt in alle richtingen en bukt onder struiken, tuurt herhaaldelijk de hemel af maar niets verwijst naar een UFO, helemaal niets valt er te ontdekken.
Mijn god, hij heeft zich vergist.
Wat nu.
Hij kan het het beste als een grap afdoen. Niet dat Lies het als zodanig zal zien. ‘Geen bewijs = roze olifanten’ zal ze snebbelen, haar gebrek aan fantasie is grenzeloos. Wat een vooruitzicht. Kon hij zijn berichten maar terugdraaien.
Hij kijkt naar de spuitbus in zijn hand; na een steelse blik over zijn schouder draait hij het bovenstuk los en neemt een snelle slok, ahhh, dat doet goed. Met verlicht lood in zijn schoenen loopt hij naar zijn auto en rijdt naar huis.
Opgelucht zien de spinnen de jammerlijke afgang van de mens. Ze bungelen uit de takken en spannen de spieren om het sportveld te restaureren maar een van hen roept.
‘Hela, wacht. Het is tijd, Araneae aller landen: verzáááámelen!’
Een wild gejoel volgt, ze rennen door elkaar, huppelen en springen, ze vergeten het sportgedoe en klitten rond de spreker.
‘Luister. Over een half uur is de zomer voorbij, hoogste tijd om serieus te worden. Ieder kent zijn werkgebied en denk eraan: gedraag je netjes, handel als een gentlespider of wees ladylike.
Over drie maanden geef ik het eindsignaal en zien we elkaar op het uitrustveld waar…’  hier veroorlooft de spreker zich een draadje humor ‘… hopelijk mens noch UFO ons zal vinden. Laten we nu gaan, Ariadne zij met ons”.
En zo luiden ze de herfst in.

Sportdag van de spinnen. Deel 3

“Hmmm, ik weet toch zeker dat ik hier ergens stemmen hoorde,’ mompelt de mens terwijl hij rondkijkt. Aarzelend zet hij nog een paar stappen, geen weet hebbend van de geweven ingang, en deinst terug. ‘Gàtverdàmme.’ Hij veegt over zijn gezicht, grote flarden omkransen hem, zijn schouders,  buik en rug zitten vol. Het is een grote poort.
Met afschuw bekijkt hij de glinsterende draden die plakkerig aan zijn handen en kleren zitten; ‘het lijkt wel een web van honderd spinnen tegelijk’ en de verscholenen houden hun adem in bij zoveel inzicht.
Eindelijk is de mens webvrij en loopt langzaam verder, speurend naar het geluid dat hij hoorde. Hij loopt over het grasveld en lomp in zijn onnozelheid schopt hij alle hardloopbanen in de war. Hij trapt ook de wedstrijdweeftenten plat. Hij herkent niets van de faciliteiten die bij een spinnensportdag horen, zelfs niet het platform van waaraf gebungejumpd en geplatbommetjed werd en het schunnige kraampje van de lustige weeuwen ziet hij slechts als een ragknoedel.
Ademloos spieden de spinnen vanuit de bomen en bedenken alvast nieuwe afwerende spinsels.–
Hij krijgt het warm, na een rondje over het veld knielt hij neer bij de sportvijver om zijn gezicht te verkoelen. Hij buigt voorover en net als hij water wil opscheppen ziet hij de grote weefdraden die kriskras over en door het oppervlak gespannen zijn. Hij deinst achteruit. Hij kijkt nog eens rond, denkt, fronst. Dan belt hij zijn vrouw.
‘Hi Lies, waar ik nou in beland ben, dit heb je nog nooit gezien. Nee, als ik het verraad kom je niet. Nou vooruit dan. Een grasveldje met overal spinnenwebben. Letterlijk o-v-e-r-a-l. Zelfs een poel hier zit er vol mee. En geen spin te bekennen…wàt, NEE mens, ze zijn NIET roze… hè?… dan niet’. Akelig wijf, mompelt hij er beledigd achteraan.
Hij stopt het mobielttje weg en bekijkt nogmaals de restanten van de spinnen. Wederom ziet hij geen beweging, zelfs geen verdwaald vliegje. Besluiteloos blijft hij staan. Hij hoort het geluid niet meer, waarschijnlijk is er een logische oorzaak.
Deze niet-oplossing is weinig acceptabel en onvoldaan maakt hij nog een rondje. Het maakt hem niets wijzer.
“Het was een rare stem”, prevelt hij voor zich heen, “zoiets als in een oude ruimtefilm.’
Dan blijft hij doodstil staan.
‘UFO. Natuurlijk, een Ufo, dat moet ik Lies vertellen.’ Hij belt en belt maar ze is er niet. ‘Schat’, spreekt hij opgewonden de voicemail in, ‘geloof me nou, ik zit echt niet aan de whisky. Luister, er is een Ufo geland, ik wacht op contact…..’
De spinnen vallen zowat uit hun schuilplaats van het lachen.

Morgen laatste deel.
Bertjens.

Sportdag van de spinnen. Deel 2

Sommige wedstrijdjes leveren problemen op; een Hardloper heeft stiekem teveel poten aan de grond, er raken ledematen in elkaar verstrengeld, bij de Wevers is kinnesinne over draaddiktes. Met Waterlopen is het vooral druk voor de reddingzwemmers, veel jonkies schatten de oppervlaktespanning niet goed in en gaan kopje onder hetgeen leedvermakelijk gejouw uitlokt van de Platbommers. Dan is het knokken waarna een glas Bavariachnibier de vrede hertekent.
Het is, kortom, een fantastische dag, een typisch maar genoeglijk sportevenement.

Halverweg de middag echter is er een vervelend intermezzo: er wordt een mens gesignaleerd.
De automatische uitkijktoren, die alleen maar aangestekkerd is omdat het in de reglementen staat, laat om kwart voor drie een aarzelend signaal trillen. Enkele alerte spinnen kijken op maar de meesten schenken er geen aandacht aan. Er gebeurt immers nooit wat bijzonders.
Na vijf minuten volgt opnieuw een signaal, dringender. Nu staken alle deelnemers hun strijd en begeven zich naar de ingang, benieuwd naar en hopend op sensatie.
Ze drommen met trappelende poten om de toren die een antieke robot-manier van communiceren heeft:
–Menss komt—heeft -blieb-full..eh..flitsssspuit—vorm defenssie alsjsjstublieft—Tarantula’s vooraan–grchchchmenssssss komt—prrrrut  Dit herhaalt hij enige malen tot hij zijn blikken geest geeft.
De spinnen spugen vol minachting op dit staaltje ouderwetse rotzooi. Ze trekken hun eigen plan en begeven zich in wriemelende draf naar het geboomte waar ze veilig in de takken hangen als er inderdaad een mens komt met een, eh, spuitbus.

Morgen verder.

Bezoek aan Petrus 1

Aandachtig rondkijkend dwaal ik door de hemel. Het is er doodsaai.
Petrus tikt me op de schouder.
– Je bent te vroeg, mens.
O, zeg ik, ik wilde even checken of braaf zijn de moeite loont.
– En?
Nee. Er is hier niets te beleven, al die goedheid maakt me nerveus.
Beledigd pakt hij me op en gooit me eruit.
Opgelucht land ik op mijn bed.
Dit had ik als kind moeten weten, nooit meer braaf zijn, wat een feest.

De veelzijdige mens -schrijfles

‘Het mag als bekend worden verondersteld (voorondersteld?) dat de mens een veelzijdig wezen is…’
Moeizaam probeer ik iets moois te maken van de opdracht, weet hebbend van de nauwgezetheid waarmee teksten worden gecontroleerd.
Is de eerste zin niet te hoogdravend?
Of is het juist beter met literaire perfectie te overdonderen?
‘De mens; veelzijdiger wezen is er niet.  Een minderheid lijkt het tegendeel te bewijzen, je ziet….’
Hm, niet erg bevredigend, literatuur ligt me niet zo.
Ik dub.
De genoemde perfectie is me niet gegeven maar onderhoudend schrijven moet toch mogelijk zijn?
Misschien maakt een Latijnse term meer indruk?
Nee.
Ik denk na.
En geef de opdracht terug.

Dit stukje schreef ik met een bedoeling.

De veelzijdige mens


‘Het mag als bekend worden verondersteld (voorondersteld?) dat de mens een veelzijdig wezen is…’
Moeizaam probeer ik iets moois te maken van de opdracht, weet hebbend van de nauwgezetheid waarmee de werkstukken worden gecontrôleerd .
Is de eerste zin niet  te hoogdravend?
Of is het juist beter met literaire perfectie te overdonderen?
‘De mens; veelzijdiger wezen is er niet hoewel enkele exemplaren het tegendeel lijken te bewijzen.’
Hm, niet erg bevredigend.
Ik dub.
De genoemde perfectie is me niet gegeven maar onderhoudend schrijven moet toch mogelijk zijn? Misschien maakt een Latijnse term meer indruk?
Laat ik het dan maar kort houden.
Carpe Diem.

© Bertie