Meisje voor spiegel


Turend, haar blik op vol vermogen, speurt ze de huid van wangen, neus en kin af.
Alleen maar gladde huid. Geen puistje te zien, denkt ze tevreden.
Ze veegt een lok naar links, drapeert hem over het oor, schudt hem weer terug.
Als ze die ene krul achterover kamt, zou dat niet beter staan? Mmmm, nee….
Eigenlijk heel stom zelfs.
Ze brengt beide handen achter haar hoofd en tilt het haar op.
Dan draait ze haar hoofd iets naar rechts en omlaag; probeert een schuine blik omhoog. Tuitmondje erbij.
Jé, niet slecht, net een model, zal je die meiden moeten zien kijken.
Met één hand de haren vasthoudend probeert ze een selfie te maken van haar spiegelbeeld. Verdomd lastig, maar het resultaat is goed genoeg om op te slaan.
Nu de andere kant; haar rechterprofiel mag er ook zijn.
Ze oefent met haar wenkbrauwen. Vragend? Of toch maar verwonderd kijken, met grotere ogen? En de wangen ingezogen, gos wat een interessante kop is dit. Misschien uitproberen bij die lesbo van Duits? Lachen.
O ja, nog een strenge blik oefenen. Morgenmiddag komt die nieuwe voor biologie, een hunk maar wel serieus.
Ze fronst licht haar wenkbrauwen en trekt een strakke mond.
Ja, precies goed, hier móet hij voor vallen.

Ingesponnen door ijdelheid hoort ze niet de deur opengaan.
De moeder, een treurige puntenlijst in haar hand, kijkt naar de dochter die naar zichzelf kijkt.
Moedeloos haalt ze de schouders op.
Hier helpt geen gepreek.

©Bertjens/Bertie

Advertenties

Miniverhaal

Ze huilde.
Sjaak bleek een aartsegoïst. Hoe hij keek toen ze zich verschrikt terugtrok.
Ze rende naar huis, hijgend vertelde ze van haar leed.
‘Een fijn plekje, zei hij. In de brandnetels achter de botsautootjes, mam, is het niet vreselijk?’
Haar moeder luisterde. Ze zuchtte.
‘Wanneer je getrouwd bent heb je een fijn zacht bed, is het dan wel goed?’
Dochter zweeg.
Verwonderd.
‘Maar daar eet je de ijsjes toch niet op??’

We fietsten door een storm als deze


Een jaar of tien geleden.
‘Buiig en een vlagerige zuidwestenwind…’  heette het.
Nu, dat hebben we geweten, het was werkelijk een zeer aparte fietstocht die we maakten.
We waanden ons gehard en reden babbelend het dorp uit, lacherig over een paar windstootjes.
Tot we de grote weg opdraaiden.
Whamm, direct had een vlaag ons te pakken en we zouden achteruit gewaaid zijn als we niet zo snel reageerden. Met veel moeite tornden we gestroomlijnd, hoofd gebogen en de rug aflopend, een paar meter vooruit. Regen achter ons aan sliertend als een natte pauwenstaart.
Even werd het rustiger, als je tenminste de uithijgende vogels over het hoofd zag. In bijna elke boom hingen er wel een paar, éen vleugel op de borst en de tong uit hun snavel.
We zetten door,  voelden ons uitgedaagd en probeerden tegelijkertijd ons gesprek te hervatten. Nou ja, een paar woorden kregen we er wel uit.
Plotseling woei ons een schaap tegemoet, zijn krullen rechtgetrokken, helphelp-mekkerend maar het was al te laat: een nieuwe vlaag achtervolgde hem.
Een bijzonder sterke ditmaal; met alle Trekkracht kwam echtgenoot niet vooruit en ik nog minder zodat we ons aan een boom vastgrepen.
Vreselijk was het; er zeilde een kip voorbij met gespreide vleugels, een ei achter haar aan; een oud vrouwtje freewheelde door de lucht; een F 16 verdween de verkeerde kant op; sjongejonge, dit kenden we niet.
Tijdens de volgende stormpauze besloten we om te keren, het was te gevaarlijk met al dat  vee in de lucht. Bovendien was het koud. En nat.
Op de terugweg raceten we langs een vliegende boer die zijn schaap zocht. En een meisje met een koekenpan, zij wilde de kip terug. En het ei.
Wij waren niets kwijt behalve ons gespreksonderwerp.
Maar daar was niets aan verloren, we waren geen hoogvliegers.
=

Meisje van toen

In een van de grotere plaatsen fietste me een vrouw tegemoet. Een oudere vrouw.
Ze minderde vaart, keek me twijfelend aan, reed dan door met een minachtende blik.
Verbaasd bleef ik staan. Wat misdeed ik? Kende ze me? Kende ik haar?
Terugdenkend probeerde ik haar te plaatsen.
Zwart haar, bleek gezicht. Donkere blik.
Langzaam doemden de contouren op van een meisje. Vaag bekend, lang geleden.
Ineens had ik het.
Een van de mooiste meisjes van het dorp, misschien wel het allermooiste.
Ik kende haar van uiterlijk, van kerk of danszalen. Haar gezicht zei me niet veel, eerder was het de bleke, zedige uitstraling die ik mooi vond, als van een icoon.
Het begon me op te vallen dat ze soms boos in mijn richting staarde, als ik vragend terugkeek draaide ze zich om.
Na een paar jaar verhuisde ze en ik vergat haar.
Tot nu toe.
Na zoveel jaren staarde ze me nog steeds -of opnieuw- boos aan.
En ik weet nog steeds niet waarom.
Een vreemde gewaarwording.
==

Verveeld verhaaltje

Het meisje verveelde zich altijd.
Er was niets dat ze graag deed. Baantjes, clubs, stappen, ze meed het.
Soms ging ze de straat op, maar ook daar was niets wat haar kon bekoren. Meestal ging ze vroeg naar bed, gapend van verveling.
Ze probeerde de sleur te doorbreken door samen te wonen met een man,  toen met een vrouw,  daarna met alletwee tegelijk om uiteindelijk weer alleen te blijven want het was een suffe beweging.
Ze besloot te gaan reizen. Het hielp niet. Gedoe met folders, boeken, bagage, inchecken, hotels en meer hing haar direct al de keel uit en ze kocht zich een eigen raket.
Daarmee vertrok naar bijna eindeloze verten in het heelal en ontdekte onderweg een paar spannende nieuwe planeten. Mooi, maar het spelletje van exploreren en exploiteren werd al gauw een gewoonte en ze richtte haar aandacht op de hemel.
Helaas, die was afgesloten.
Ze kwam er niet in, de portier was duidelijk geïnstrueerd:
GEEN TOEGANG VOOR LEVENDEN. Heel vervelend.
Ze haalde de schouders op en zette koers naar beneden, aarzelde halfweg even bij het vagevuur maar toen ze de saaie bedoening zag van geen-vlees-en-geen vis racete ze regelrecht naar de hel, bekeek de baas van het spul en de bewoners.
Ze vond er niets aan; is dat alles, dacht ze, een doorlopend brandje? Nou, dan kon ze net zo goed naar huis gaan en een pak lucifers aansteken.
Intussen voelde ze de jaren. Ze nam haar intrek in een bejaardenhuis.
Al niksende werd ze erg oud.
Op haar éénhonderdenzevende verjaardag las ze geërgerd het zoveelste duffe telegram van de koning en verzuchtte, ‘Gatverdarrie, ik verveel me dóód.’
En ze stierf.
De begrafenis was een dooie boel.
©

Man vrouw hond

Er fietste een meisje door de straat. Een mooi meisje met gebruind middenrif, een vleugje goud in haar navel ving de zon.
Een  man met een houten been wandelde  met vrouw en hond over het trottoir; hij floot bewonderend.
Het meisje  keek hem vragend aan, de man knipoogde.
De vrouw naast hem haalde kalm een bijl uit haar tas—

Een knappe vrouw stapte uit haar wagen bij de supermarkt.
Een man in een rolstoel  keek geïnteresseerd naar de opstropende rok en halfblote benen.
Naar de tas van zijn vrouw en de hond die een enorme kluif torste. Tenslotte bekeek hij mismoedig  zijn lege broekspijpen.
Hij floot niet.

 

Het mooiste meisje van de klas

Ze was zo mooi dat geen van de jongens haar aanraakte,  ze leek te teer voor grote handen.
Vriendinnen had ze ook niet. De meisjes waren niet jaloers maar voelden zich lomp in haar gezelschap, een soort schroom, alsof ze een veel te mooie pop was voor een veel te arm kind.
Ze werd op afstand bewonderd.  Door haar bijna doorschijnende huid,  elfachtige rankheid en dromerige oogopslag leek ze een etherische wezentje, ze zou een nimf kunnen zijn. Ze scheen te zweven door de lokalen  en de gangen en iedereen verbaasde zich bij  zoiets menselijks als het snuiten van haar neus of gekam van haren.

Ze was nog niet zo lang op deze school; ze kwam uit een ander deel van het land. Niemand wist iets van haar.
Ze sprak erg weinig, gaf slechts antwoorden: ze had hier en daar gewoond; haar vader was leidinggevende bij een grote firma; haar moeder was huisvrouw; geen broers of zussen. Met deze en andere summiere aanwijzingen, die op een vage manier werden uitgesproken, schiep ze ruimte om zich heen. De klasgenoten eerbiedigden het behalve Michael die haar af en toe aansprak. Ook hem wimpelde ze af, al was hij de braafste jongen van de klas.

In het voorjaar waren de eindexamens, de schooltijd werd afgesloten met een tuinparty.
Het mooiste meisje van de klas was aanwezig. Ze hield zich afzijdig van de feestende jongelui en bewoog zich tussen de verlichte bomen en bloemperken, door  haar sierlijkheid eens temeer lijkend op een verdwaalde fee.
Men keek. Niemand zag haar echt.
Op het eind van de avond was ze verdwenen.
‘Ik heb haar gezien’, beweerde Michael,  ‘ze zat op een wolk die opsteeg. Ik zweer het.’
De anderen spotten. ‘Ach man, je hebt teveel gerookt, dat ben jij niet gewend. En hoeveel bier heb je op? Laten we naar huis gaan, vlieg jij maar voorop.  Bestel een zespersoonswolk…’
Michael bleef achter;  hij had haast niets gedronken, gerookt of wat dan ook gebruikt. Koppig liep hij door de tuin en zocht met een laatste stompje kaars naar een of ander bewijs maar vond niets anders dan een hoop troep, peuken, verfrommelde tissu’s,  allerlei dingen die meestal op de grond terechtkomen.
Bij een groepje Hemelsleutels lag zelfs ’n dotje engelenhaar. Hij raapte het op.
Engelenhaar? In de zomer…    Ineens beseffend wat hij in zijn handen had keek hij langs de bomen, de kaars zo hoog mogelijk houdend.  Kleine glanzende strengetjes werden zichtbaar.
Ze was een engel, ze hadden een engel in de klas gehad!
‘Kom terug’, riep hij naar boven, ‘kom weer terug alsjeblieft, je was zo mooi…’

©Bertie.