Lang leve de kloosterling

Dat zou je bijna zingen wanneer je deze kop snelt. (Oud knipsel 2004).
Kloosterling leeft zes jaar langer
Het was voor ons geen nieuws, wij zagen vroeger al dat de onderwijsnonnen in ons dorp uitstekend te eten kregen. Niet dat we zelf honger hadden, maar in het klooster schenen de maaltijden net even lekkerder en beter te zijn. Je kon het ook zien, de bewoonsters waren stuk voor stuk in puike conditie, de zichtbare delen hadden een gezonde kleur en glans, vooral vergeleken bij die van de grote-gezinnen-moeders. De zusters waren zelden ziek of niet lekker. Hun gang was vlot en veerkrachtig, ze waren energiek en verschillende van hen waren behoorlijk aan de maat.
Ze hebben geen zorgen,  was een uitspraak die je vaak kon horen; aansluitend daarop klonken -een beetje bitter- opmerkingen als ze zouden maar eens acht kinderen moeten hebben of deze ijzersterke:  ze hebben dan ook geen man.
Deze herinneringen kwamen boven bij het lezen van de betreffende zin. Waar of niet, ze geven een idee van de gezonde braafheid van een bestaan waarin geordende saaiheid de boventoon voerde.
Mij leek het een gruwel.
Je moet er toch niet aan denken om non te worden met al die kleren en die bidderij met elke dag een verplichte mis, vrome liedjes.
En dan ook nog heel oud te moeten worden.
ps
Over mannenkloosters weet ik niets behalve een oud gezegde:
Het klooster van sint-Adriaan
waar twee paar schoenen onder één bed staan.

 

Advertenties

De werkelijke toedracht was als volgt

De bel ging.
Mijn zus opende de deur, ‘Ja?’ vroeg ze de zwijgende figuur.
Hij wees naar binnen, overdonderd stapte ze opzij.
Meteen liep hij door naar de keuken en bleef staan voor de gootsteen.
Hij zag er eng uit, zwarte vegen op een gezicht waarin de ogen vreemd oplichtten.
Toen vroeg hij: ‘Wilt U mijn handen wassen?’ .
Zus nam een washandje en en deed wat hij vroeg.
Hij wees naar zijn gezicht. Opnieuw maakte ze een washandje nat en veegde man’s gezicht schoon waarbij ze speciaal zijn vreemde ogen in de gaten hield.
Ze gaf hem een handdoek, hij schudde van nee en stak zijn handen weer uit.
‘O sorry,’ zei ze, ‘ik dacht dat U dat zelf kon’. Ze depte hem droog.
‘Wilt U een kopje koffie?’
‘Bedankt, nee, ik moet weg, het werk…’ mompelend haastte hij zich naar de deur en ging weer. Ze keek hem na en begreep er niets van.


Zus was niet echt bang, haar man zat erbij en had het tafereel argwanend gadegeslagen, klaar om in te grijpen.
Ze raakten niet uitgepraat over de man met het eigenaardige verzoek. Achteraf vonden ze hem ’n beetje zielig door die lichte ogen.
Wij, Pa, broer en ik, genoten van het verhaal. We profiteerden volop van de gebeurtenis, zoveel mogelijkheden voor een fantastisch verhaal. De vreemdeling werd een vampier, weerwolf, lustmoordenaar, wraakzuchtige oude vrijer, gevaarlijke gek met messen in de laarzen en wat al niet.
We hielden er een ronkend familiesp(r)ookje aan over.
=

Man vrouw hond

Er fietste een meisje door de straat. Een mooi meisje met gebruind middenrif, een vleugje goud in haar navel ving de zon.
Een  man met een houten been wandelde  met vrouw en hond over het trottoir; hij floot bewonderend.
Het meisje  keek hem vragend aan, de man knipoogde.
De vrouw naast hem haalde kalm een bijl uit haar tas—

Een knappe vrouw stapte uit haar wagen bij de supermarkt.
Een man in een rolstoel  keek geïnteresseerd naar de opstropende rok en halfblote benen.
Naar de tas van zijn vrouw en de hond die een enorme kluif torste. Tenslotte bekeek hij mismoedig  zijn lege broekspijpen.
Hij floot niet.

 

Gevonden

In plaats van naar een identieke ziel heb ik ook eens naar een tegenvoeter gezocht. Geen idee wat ik met zo iemand aan moest, er was slechts een vage gedachte aan iets gemeenschappelijks.
Het zal de leeftijd geweest zijn. Als puber krijg je dergelijk bevliegingen.
Ergens in de buurt van een paar eilanden bij Nieuw-Zeeland zou ik hem/haar vinden. In de Grote Oceaan. Weinig kans op een voet-aan-voetbegroeting maar een natte high five zag ik wel zitten.
Na de atlas te hebben geraadpleegd zag ik van dit plan af. Teveel en gevaarlijk graafwerk en bovengronds zo ingewikkeld; naar een eiland vliegen, een boot huren, de precieze plek zoeken. Gedoe.

Wat te doen, het moest geen fanatieke queeste te worden.
Wel, ik hoefde niets meer te soen.
Er kwam een man op mijn weg,  helemaal vanzelf.
Weliswaar verschilden we enorm noch pasten onze voeten  tegen elkaar maar de verwantschap die we voelden was groot genoeg en zo niet de zielen,  klopten zijn en mijn hart gelijk.

Man-vrouw herinnering


Toen ik tegen de vijftig liep kocht ik een mini-servies op serveerblad en zette het op het dressoir.
Een klein sierdingetje waarop ik viel door de aansprekende kleuren.
Echtgenoot verbaasde zich hogelijk, juist ik hield niet van snuisterijtjes.’Een kinderservies? Wat moeten wij daarmee doen?’
Niks, alleen kijken. Zie je die kleuren dan niet? Heel apart.’
Hij haalde zijn schouders op.
Na een korte stilte begon hij weer. ‘Dat krijgen oude vrouwtjes ook. Potjes en beeldjes met bloemetjes en herderinnetjes….
Meteen stoof ik op. ‘Nou èn? Als ik dat nou mooi vind, ik zeg toch ook niks van jouw suffe trainingsbroeken uit het jaar nul?’
Hij lachte maar wat.
Enfin.
Een paar weken later waren we op visite bij een bevriend echtpaar. Ik voelde dat hij me aankeek en zag hem verstolen grijnzend naar een tafeltje  knikken.
Daarop stond, je raadt het al, eenzelfde serviesje.
Vriendin, ongeveer twintig jaar ouder dan wij, zag ons kijken.
Leuk hè,’ zei zij,’ die kleuren, heel apart.’

Kat. Oud verhaaltje

-Ik verveel me, dacht Pers, ik moet wat leuks doen. Hij sprong op de vensterbank.
Zorgvuldig drapeerde hij zijn spierwitte vacht tussen knalgroene geraniums waar hij ging slapen met kiertjesogen, belust op publiek.
Een man kwam voorbij; knipogend.
Een echtpaar zwaaide, loom hief Pers zijn staartpunt. Kleine meisjes staarden verliefd; hij genoot. Altijd een succes, dit spelletje; lief likte hij een voetje.
Tot
de  kop van Tijger verscheen, grinnikend. Aanstellerig  tilde hij een voorpoot en likte aan een klauw.
Donderop, mimede Pers.
Tijger grijnsde.
Ga terug naar Afrika, schlemiel.
Klakkend beet Tijger naar het raam.
Pers belde de Circusdirecteur. Die haalde Tijger subiet op en Pers ging tevreden verder met zijn spelletje.
The world is mine, spon hij.