Emancipatie voor dummies

Ik vraag me af, zei een man tegen zijn vrouw, waarom ik moest emanciperen. Ik ben toch al een man? En jij bijna.
Dan, zei de vrouw, wordt het tijd dat je je vrouwelijker gaat gedragen.
Zou het? twijfelde de man, dan hebben we straks een man die vrouwelijk gaat doen en een vrouw die zich als een man gedraagt. Kunnen we toch netzogoed alles bij het oude laten?
De vrouw zuchtte.
Jij snapt ook nooit iets, zei ze. Maar ja, een man hè…
… en jij als geëmancipeerde. Zei hij.
man-vrouwhassle-2115059__340
=

Er staat een paard bij het hek

paardhorse-mare-2737149__340
We stapten af, dieren langs hekken zijn gezellig, altijd nieuwsgierig en in voor een praatje.
Dit was een heel bijzonder paard.
Met gekleurde manen, make up, een ketting om. Viooltjesblauwe ogen keken ons aan. Een enkellange rok hing over de achterhand.
Wat ben je mooi, zeiden we.
– Dank je, antwoordde het paard, zichtbaar gevleid. Het probeerde een glimlach.
Moet je naar een feestje? vroegen we.
– Neenee, ik wil bij het circus en oefen een beetje, kijk.
Een paar stappen vooruit, achteruit, kruispasje, zwaaiende manen en daar zagen we een beeldige paardensolo.
We klapten heel hard, zo mooi was het.
Heb je al een baantje gevonden ergens?
– Bijna, de directeur moet nog beslissen over mijn aard.
Hoezo, wil hij geen vrouwen in zijn team?
– Juist wel, maar ik ben een man.  Dan moet ik me laten ombouwen en dat wil ik niet, dus dacht ik, als ik nou een rok aantrek…
Oooo, zeiden we weer, dus je bent een hengst.
– Ja en dat wil ik blijven. Ik heb gezegd dat ik als dragqueen wil optreden maar dat vond hij niks. Nu heb ik een foto gestuurd en hoop er het beste van.
We leefden mee en beloofden te duimen.
– Wat denken jullie,  zou een een grote pruik het echter maken? Of hoge hoeven?
Hmmm,  nee, je bent mooi genoeg, zeiden we. Volgende week komen we weer langs, om te horen of je bent aangenomen. Oké?
– Ja leuk! Dan trakteer ik op haverwijn. Tot dan.
We stapten op en zwaaiden.
Hij oefende zijn pasjes maar stak zijn staart op.
=

Eindeloos trimmen.

Een man zat op de sportschool.
Hij trimfietste.
Bang geworden van een indringend artikel. Róókt U? Drìnkt U ook nog? En hoeveel dan wel? Bent U kortademig? En meer suggestieve vragen die onontkoombaar uitkwamen bij een conclusie vol narigheid. Hij zou gaan lijden aan hartkwalen, longaandoeningen, vaatvernauwingen, vreselijkheden waaraan hij allemaal tegelijk zou sneuvelen tenzij hij er onmiddellijk iets aan zou doen.
Mijn god!  De woorden alleen al, ze verstoorden zijn beeld van een kalme en regelmatige toekomstritmiek.
Hij dacht na en werd zo bang dat hij zich bekeerde.
Gooide alle rookwaar weg. Kocht gezond voedsel en at alles ijverig. Maakte een rooster  voor gezonde activiteiten.
Zo werd hij veilig ouder.
Niettemin trad met de jaren lijfsverval op, sporten viel hem moeilijker.
Het gezond voedsel bekwam hem minder, zijn slijtende tanden protesteerden tegen de steenharde ontbijtbrokken en de taaie rauwe groenten. Verbolgen knersten de knieën tegen de zoevende trimfiets.
Opnieuw dacht hij na en kwam tot een revolutionair besluit: basta met gezond doen, oud word je toch.  Deze keer ging hij het er een paar jaar van nemen.
Hij kocht een uiterst geavanceerde trimligfiets, boordevol elektronica zoals zelfdraaiende pedalen en een zadel dat zich automatisch in de lengte en breedte aanpaste, bij de extra’s hoorden kussenzachte onderkniesteuntjes, een gerieflijk verend rugleuninkje en een comfortabele nek- en hoofdrol. Hij hing muziek aan zijn oren.
Het was werkelijk een genot om er op te zitten en te niksen.. Hij liet hem in de erker plaatsen, met driezijdig uitzicht op de rest van de wereld.
En zo zat hij het er van te nemen, zijn blik naar buiten verzacht door filterende vitrage, zijn handen lichtzinnig de maat slaand, voeten in vilten pantoffels kalmpjes met de trappers meedraaiend, genietend van hazenslaapjes op het gerieflijke zadel. Hij werd gelukzalig oud.
Zo oud, dat hij langzamerhand vergat waar hij was.  En wíe hij was.
Op de duur stapte hij niet meer van de fiets af, hij wist toch niet waarom.
Hij herinnerde zich zijn bed niet meer, zijn keuken, zijn toilet.
Zijn hand rustend op de startknop wiegde hij zich zoetjes in slaap op het elektronische bouwsel, almaar door en door, en sliep vast en vaster.
Zo vertrok hij, actief luierend en zielsgelukkig.
==

Vreemde dieren

Er stond een paard te wachten toen we langs de wei fietsen. Hij wenkte ons en schudde met zijn manen.
We stopten.
– Dag paard, wat is er aan de hand?
– Schele hoofdpijn.
– Wablief?? Heb je daar vaker last van?
Hij draaide zijn hoofd en wees op het gestreepte dek. ‘Was vorig jaar al antiek,’  mopperde hij.
– Vraag een nieuwe voor je verjaardag,  zeiden we.
Hij snoof. -Ik wil een koekje. Twee koekjes.
We troffen het, een onwijs paard. En ontevreden erbij.
We zwaaiden, stapten weer op en reden naar huis.
Daar aangekomen draaide de kat om onze benen, duwde en snorde.
Zijn bakken waren nog niet leeg, we wisten niet wat hij wilde.
Hij wees naar zijn bek.
Grinnikte man: misschien wil hij ook een koekje, twee koekjes.
De kat ging meteen mooizitten, ik zou zweren dat hij knikte.
==

(niet) over kapsels

Op de tv was een vrouw te zien met een te jong kapsel. Of zij te oud. Jammer, dacht ik.
Later kwam een man voorbij met een vergelijkbare haardracht. Zal een pruik zijn, leek me.
Net toen ik dacht: wat kan jouw iemands kapsel schelen, viel mijn oog op wéér een bijzondere bos. Gelukkig had ik een boek en kon de tv uit.
Toch dwaalden mijn gedachten af.
Wat maakt me zo kinderachtig kritisch, ben ik zelf zo mooi dan, die mensen zijn prima en hun haren ook, wat zeur ik nou, en meer.
Daarmee kwam ik weer (een mens denkt er wat af) op iemand die me na één kapsel-opmerking een kam zou aanreiken. En werd er gegrapt en mijn gezever zou afgelopen zijn.
Eigenlijk waren het twee mensen.
Een zus die feilloos mijn stemming peilde en met humor antwoordde. En Moe die me terecht wees: kijk eerst eens naar jezelf. Die zin haatte ik, toen.  Pas later werd ik wijzer enzovoorts enzovoorts.
Zo verder neuzelend vergat ik de kapsels, las een hoofdstuk, zette later de tv weer aan voor wat mooiers en wat zien ik?

=

Die man. Slot


Met een grafstem iemand de stuipen op het lijf jagen, een flauwe grap.
Ik ging naar huis en piekerde verder.
Af en toe schoot het beeld van de man me te binnen en onwillig bekroop me de gedachte dat hij beter goede raad had kunnen geven, hij leek zo zeker van een goede afloop. Ik kon wel wat vertrouwen gebruiken.
Tenslotte koos ik voor de huisarts en mijn aardigste collega. Zij hielpen me een besluit te nemen en door de moeilijke periode, daagden me uit te vechten tegen de pijn, de  nasleep, het moeizame genezingsproces. Dankbaar aanvaardde ik hun hulp die realistischer was dan de  woorden van een vreemdeling.
En toch.
Er was die verwarrende gewaarwording voor de operatie: in de chirurg herkende ik de man van de kade maar de beelden vervlogen in nevelen. Een narcosedroom.
De droom echter achterhaalde me, verschillende keren zag ik de man. Op de kamer, in de gangen, telkens vanuit een ooghoek, Het bevreemdde me en bracht me ertoe navraag te doen bij de verpleegkundigen die me verzekerden van de betrouwbaarheid van de arts. Bezorgd spraken ze van een delier.
Verward? ik was uiterst helder!
De geestelijke die me bezocht liet ik weten geen behoefte te hebben aan godsdienstige bijstand. Ik vertelde alleen van de man aan de kade.
Waarom? Geen idee, misschien hoopte ik op bescherming van hogere machten. De priester aarzelde, waarschijnlijk speelden schaduwen van de tumor me parten?
Hij gaf me de zegen en daarmee uit
=
Nu, twee maanden later, ben ik weer gezond op een lichte hoofdpijn na.
Me sterk voelend loop ik met stevige passen, begroet de wereld en wend me naar de rivier, het bankje op de kade.
Daar zit ik en bezie de hemel aanmerkelijk opgewekter. Hij is winterachtig nu, van een somber grijs.
De plek lijkt een déjà-vu maar het is het ritme van de rivier, zich aldoor herhalend, het veer, de aken, auto’s en fietsers. Zelfs de enige wandelaar op het pontje heeft iets bekends.
Een man, donker in kleding en uitstraling, hij schijnt haast te hebben.
Plotseling verschijnt hij in mijn blikveld, slechts een paar meter van me af en kijkt me aan. Indringend.
O, nee toch…

==
© Bertie/Bertjens

Die man. I


Het was een rillerige najaarsdag. Kil van waterkou maar mooi van licht door de afwisselende sterkte,  en jagende wolken in een herfstige setting.
Dat springerige licht, speelde het me parten?
Waren het  novemberschaduwen?
Of mijn labiele gesteldheid, die misschien een afwijkende, bijna psychotische gedachtengang in werking zette?
Nog steeds ben ik niet zeker.
Die middag zat ik op een bankje op de kade, piekerend over de uitslag van het hersenonderzoek.
 – De chirurg legde het uit.
‘We kunnen niets met zekerheid zeggen, mevrouw. We willen de tumor aanpakken volgens plan…’
Uiteraard luisterde ik; versteend,  niet wetend wat te vragen.
Tumor? Aanpakken? Kleine kans op genezing…  nooit de hoop opgeven…
Hij vroeg me dus toestemming te geven voor een miniem kansje?
Goeie god

Ik keek voor me uit.
Het pontje voer heen en weer, rustgevend door de regelmaat, desondanks bleef de wanhoop. Kon ik het maar kwijt aan iemand; nooit eerder voelde ik de breekbaarheid van het alleenzijn; de trots op mijn zelfstandigheid kwam me nu schamel voor.
Niet eerder besefte ik de waarde van een vertrouwd persoon en in gedachten zocht ik naar zo iemand, wie dan ook, iemand die me kon raden.
Een man verscheen in mijn blikveld waardoor ik overwoog op te staan; een babbeltje was het laatste waar ik zin in had. Maar hij gedroeg zich zo kalm, zo alsof hij bij dit moment behoorde, dat ik aarzelde.
‘Waarom zo zorgelijk?’ was zijn openingszin, ‘U bent nog lang niet aan de beurt.’
Verrast draaide ik me naar hem toe, kende ik hem?
Hij hield mijn blik vast. ‘Vertrouwen hebben in eigen kracht …..’
Mijn verbazing nam toe. ‘Hoezo, ik bedoel, ik kèn U niet eens!.’
Hij lachte wat, ‘dat komt wel’ en verdween.
Zomaar, weg. Had ik even niet opgelet?
Irritatie overviel me; wat had zo’n wildvreemde vent  me lastig te vallen. Interessante orakels te verzinnen, pfff, zo goedkoop. Een bleke jonge vrouw in haar eentje, allicht wekte dat het meeleven van uitslovers.  Natuurlijk zag ik er zorgelijk en ziek uit, ik wàs ziek.
=
© Bertie/Bertjens

Pijnlijk oud zeer

Van de week dacht ik terug aan een lelijke gebeurtenis van ongeveer tien jaar geleden. Wat me triggerde weet ik niet.

Een man zat in zijn eentje aan een tafel op het terras waar we neerstreken. Hier en daar waren nog wat tafeltjes bezet.
Na een poosje stapten een paar andere bezoekers op. Afrikanen of misschien West-Indiërs.
De man-in-zijn-eentje riep ze na. Luid.
‘ Alsof je een steen oplicht, dan komt dat ongedierte te voorschijn.’
Iedereen schrok, zat versteend, wist niet wat te zeggen. De vertrekkenden reageerden niet, misschien gewend aan racisme?
Toen stond ik op, ook andere mensen wilden afrekenen. Men leek schuw en zich te schamen.
Echtgenoot gooide wat geld op tafel en we gingen.
De man bleef zitten. Keihard, onverschillig.

Wat bezielt zo iemand?
Zijn gedachtegang was – en is – niet nieuw, waarschijnlijk kennen we allemaal mensen die aan xenofobie lijden. Er zelfs groots op gaan.
Maar zo expliciet de kwaadaardigheid te kennen geven, dat maakte je -normaal gesproken- niet mee op zomerse terrasjes in het vriendelijke Brabant.
Waar ik ook met verbazing aan terug denk is aan het gebrek aan reacties. Allemaal, ook wij, wilden wegwezen.
Waarom zeiden we niets?
We hadden die vent moeten neerslaan ongeacht de gevolgen.
Laf waren we.
Dat stoort me bijna net zo veel als de woorden van die idioot.
Nog steeds.
=

Huisdieren en eigenaren


Er liep een man met zijn hond aan de riem. Ze lieten elkaar uit. Woordeloos, elk  begreep de ander.
Even verderop wandelde een hond met zijn man. Ook zij lieten elkaar uit in zwijgend  begrip.
Toen de stellen elkaar tegenkwamen groetten ze allen beleefd, een knikje, een grom.
Ze waren gewend aan dooreengelopen identiteiten.
Tot zover de praktijk van honden en baasjes die op elkaar gaan lijken, ze merken het verschil niet meer.
Daar kwam plotseling een kat te voorschijn, hij leidde een vrouw.  Uitdagend, sjiek riempje om haar nek, zachtleren handlus tussen de tanden van de ander.
Honden en mannen keerden zich en bloc van hen af. Walgend.
‘Jaloerse krengen,’ mompelden ze.
==