U bent…?

Vanmorgen maakte ik het weer mee, iemand lachte naar me en ik wist niet wie het was, hij kwam me hooguit bekend voor.
Ik keek hem vragend aan, hij haalde zijn schouders op en liep door. Ik erachteraan, het zal me niet weer gebeuren dat ik voor verwaand versleten wordt, dacht ik.
‘Sorry hoor, ik kan er niets aan doen, ik heb een slecht geheugen voor gezichten.’
Hij stopte, legde uit wie hij was en ik wist het weer. ‘O jaaaa….’

Het is een rare eigenschap, enkele gezichten onthoud ik wel maar de meeste pas nadat ik ze ettelijke malen gezien heb. Ik dacht dat het vaker voorkwam, toch word ik er soms op aangesproken.
Van de gezinsfoto’s zijn er verschillende waar ik ook opsta, daar herken ik me niet in. Ze hebben het me moeten aanwijzen..
Als kind keek in alle winkelruiten hetgeen voor ijdelheid werd aangezien maar louter nieuwsgierigheid was naar mezelf, dat was telkens een verrassing.  Niet altijd een blije :-/ Bovendien zei ik het liever niet hardop, bang dat het gek was.
Over de schoolfoto’s zei ik ook nooit wat. Ik zag de kleren die ik aanhad en herkende broer. Het was duidelijk wie het meisje was. Blijkbaar had ik de meeste moeite met mezelf. (Nee, aan Freud doe ik niet).

Het is niet ernstig,  niet zo erg als de echte Prosopagnosie
In de spiegel zie ik meestal wie ik ben, eigen man en kinderen herken ik uit duizenden en familie herken ik zodra ik ze zie, dus dat valt wel mee.
Dat het hoogstens een rare indruk maakt zag ik toen ik thuiskwam en bij de nieuwe buren -met wie ik vorige week had kennisgemaakt- een jonge man op het tuinpad zag staan.
‘Goedemiddag, hoort U ook bij de nieuwelingen… oh, je bent de buurman zèlf… ik zie het al. Sorry.’
Hij lachte maar wat.

Advertenties

man – stoel

Een man zet zich
Hij is zwaar en past met moeite tussen de armleuningen.
De stoel zucht.
De man hoort het niet, gewend als hij is aan geluiden. Zijn lichaam zit er vol mee, het borrelt, kleddert, drupt en kraakt.
De stoel heeft genoeg van de overlast, slijtage plaagt hem en hij speurt naar wraak.
Hij zoekt en vindt een loszittende spijker, wurmt hem rechtop onder de zitting en wacht.
De man komt binnen, de stoel grijnst een boosaardig gna-gna-gna.

Er staat een ambulance.
De broeders komen naar buiten , zij dragen een stoel waarop een dikke man zit. Er stroomt bloed langs de poten, de man huilt en vloekt.
De stoel ook maar zijn ergernis wordt niet gehoord.
Wie luistert er nu naar een stoel.

Duister denken

Een groot voordeel van sneeuw is dat de omgeving oplicht in avond en nacht.
Zojuist keek ik naar buiten en zag dat er een nieuw wit waasje over de half verregende rest ligt. Dat maakt me blij, ’n beetje in ieder geval.
Een winter mag streng zijn, ijzig koud en bergen sneeuw brengen, ik houd van extremen ondanks de overlast.
Toch is er één ding van dit seizoen dat ik moeilijk kan accepteren en dat is de donkerte.
Heerlijk, zegt men, cocoonen, waxinelichtjes, knusjes bij elkaar zitten, dekentje om je heen.
Het klinkt me klef in de oren, het koeren ontbreekt nog. Het is hooguit gezellig voor een paar dagen, dan is de waxine op. Gewoon schemeren deden we altijd al zonder geknus.

De middagen zijn te kort, de avonden eindeloos, je gaat naar bed om te slapen tot het weer licht is.
Het feit dat ik weduwe ben maakt het er niet beter op. Tja, ik ga me geen nieuwe echtgenoot aanschaffen om een paar donkere maanden door te komen. Het zou wel handig zijn maar wat zeg je tegen zo’n man in februari? Houdoe en tot de volgende winter?
Liever zou ik een kamerkampvuur aanleggen.
Als de buren er niet op tegen waren. En er genoeg aanmaakhoutjes zijn. En…
Zie je nou wat die donkerte met me doet? Ik word er niet goed van.

Lang leve de kloosterling

Dat zou je bijna zingen wanneer je deze kop snelt. (Oud knipsel 2004).
Kloosterling leeft zes jaar langer
Het was voor ons geen nieuws, wij zagen vroeger al dat de onderwijsnonnen in ons dorp uitstekend te eten kregen. Niet dat we zelf honger hadden, maar in het klooster schenen de maaltijden net even lekkerder en beter te zijn. Je kon het ook zien, de bewoonsters waren stuk voor stuk in puike conditie, de zichtbare delen hadden een gezonde kleur en glans, vooral vergeleken bij die van de grote-gezinnen-moeders. De zusters waren zelden ziek of niet lekker. Hun gang was vlot en veerkrachtig, ze waren energiek en verschillende van hen waren behoorlijk aan de maat.
Ze hebben geen zorgen,  was een uitspraak die je vaak kon horen; aansluitend daarop klonken -een beetje bitter- opmerkingen als ze zouden maar eens acht kinderen moeten hebben of deze ijzersterke:  ze hebben dan ook geen man.
Deze herinneringen kwamen boven bij het lezen van de betreffende zin. Waar of niet, ze geven een idee van de gezonde braafheid van een bestaan waarin geordende saaiheid de boventoon voerde.
Mij leek het een gruwel.
Je moet er toch niet aan denken om non te worden met al die kleren en die bidderij met elke dag een verplichte mis, vrome liedjes.
En dan ook nog heel oud te moeten worden.
ps
Over mannenkloosters weet ik niets behalve een oud gezegde:
Het klooster van sint-Adriaan
waar twee paar schoenen onder één bed staan.

 

De werkelijke toedracht was als volgt

De bel ging.
Mijn zus opende de deur, ‘Ja?’ vroeg ze de zwijgende figuur.
Hij wees naar binnen, overdonderd stapte ze opzij.
Meteen liep hij door naar de keuken en bleef staan voor de gootsteen.
Hij zag er eng uit, zwarte vegen op een gezicht waarin de ogen vreemd oplichtten.
Toen vroeg hij: ‘Wilt U mijn handen wassen?’ .
Zus nam een washandje en en deed wat hij vroeg.
Hij wees naar zijn gezicht. Opnieuw maakte ze een washandje nat en veegde man’s gezicht schoon waarbij ze speciaal zijn vreemde ogen in de gaten hield.
Ze gaf hem een handdoek, hij schudde van nee en stak zijn handen weer uit.
‘O sorry,’ zei ze, ‘ik dacht dat U dat zelf kon’. Ze depte hem droog.
‘Wilt U een kopje koffie?’
‘Bedankt, nee, ik moet weg, het werk…’ mompelend haastte hij zich naar de deur en ging weer. Ze keek hem na en begreep er niets van.


Zus was niet echt bang, haar man zat erbij en had het tafereel argwanend gadegeslagen, klaar om in te grijpen.
Ze raakten niet uitgepraat over de man met het eigenaardige verzoek. Achteraf vonden ze hem ’n beetje zielig door die lichte ogen.
Wij, Pa, broer en ik, genoten van het verhaal. We profiteerden volop van de gebeurtenis, zoveel mogelijkheden voor een fantastisch verhaal. De vreemdeling werd een vampier, weerwolf, lustmoordenaar, wraakzuchtige oude vrijer, gevaarlijke gek met messen in de laarzen en wat al niet.
We hielden er een ronkend familiesp(r)ookje aan over.
=

Man vrouw hond

Er fietste een meisje door de straat. Een mooi meisje met gebruind middenrif, een vleugje goud in haar navel ving de zon.
Een  man met een houten been wandelde  met vrouw en hond over het trottoir; hij floot bewonderend.
Het meisje  keek hem vragend aan, de man knipoogde.
De vrouw naast hem haalde kalm een bijl uit haar tas—

Een knappe vrouw stapte uit haar wagen bij de supermarkt.
Een man in een rolstoel  keek geïnteresseerd naar de opstropende rok en halfblote benen.
Naar de tas van zijn vrouw en de hond die een enorme kluif torste. Tenslotte bekeek hij mismoedig  zijn lege broekspijpen.
Hij floot niet.

 

Gevonden

In plaats van naar een identieke ziel heb ik ook eens naar een tegenvoeter gezocht. Geen idee wat ik met zo iemand aan moest, er was slechts een vage gedachte aan iets gemeenschappelijks.
Het zal de leeftijd geweest zijn. Als puber krijg je dergelijk bevliegingen.
Ergens in de buurt van een paar eilanden bij Nieuw-Zeeland zou ik hem/haar vinden. In de Grote Oceaan. Weinig kans op een voet-aan-voetbegroeting maar een natte high five zag ik wel zitten.
Na de atlas te hebben geraadpleegd zag ik van dit plan af. Teveel en gevaarlijk graafwerk en bovengronds zo ingewikkeld; naar een eiland vliegen, een boot huren, de precieze plek zoeken. Gedoe.

Wat te doen, het moest geen fanatieke queeste te worden.
Wel, ik hoefde niets meer te soen.
Er kwam een man op mijn weg,  helemaal vanzelf.
Weliswaar verschilden we enorm noch pasten onze voeten  tegen elkaar maar de verwantschap die we voelden was groot genoeg en zo niet de zielen,  klopten zijn en mijn hart gelijk.

Man-vrouw herinnering


Toen ik tegen de vijftig liep kocht ik een mini-servies op serveerblad en zette het op het dressoir.
Een klein sierdingetje waarop ik viel door de aansprekende kleuren.
Echtgenoot verbaasde zich hogelijk, juist ik hield niet van snuisterijtjes.’Een kinderservies? Wat moeten wij daarmee doen?’
Niks, alleen kijken. Zie je die kleuren dan niet? Heel apart.’
Hij haalde zijn schouders op.
Na een korte stilte begon hij weer. ‘Dat krijgen oude vrouwtjes ook. Potjes en beeldjes met bloemetjes en herderinnetjes….
Meteen stoof ik op. ‘Nou èn? Als ik dat nou mooi vind, ik zeg toch ook niks van jouw suffe trainingsbroeken uit het jaar nul?’
Hij lachte maar wat.
Enfin.
Een paar weken later waren we op visite bij een bevriend echtpaar. Ik voelde dat hij me aankeek en zag hem verstolen grijnzend naar een tafeltje  knikken.
Daarop stond, je raadt het al, eenzelfde serviesje.
Vriendin, ongeveer twintig jaar ouder dan wij, zag ons kijken.
Leuk hè,’ zei zij,’ die kleuren, heel apart.’

Kat. Oud verhaaltje

-Ik verveel me, dacht Pers, ik moet wat leuks doen. Hij sprong op de vensterbank.
Zorgvuldig drapeerde hij zijn spierwitte vacht tussen knalgroene geraniums waar hij ging slapen met kiertjesogen, belust op publiek.
Een man kwam voorbij; knipogend.
Een echtpaar zwaaide, loom hief Pers zijn staartpunt. Kleine meisjes staarden verliefd; hij genoot. Altijd een succes, dit spelletje; lief likte hij een voetje.
Tot
de  kop van Tijger verscheen, grinnikend. Aanstellerig  tilde hij een voorpoot en likte aan een klauw.
Donderop, mimede Pers.
Tijger grijnsde.
Ga terug naar Afrika, schlemiel.
Klakkend beet Tijger naar het raam.
Pers belde de Circusdirecteur. Die haalde Tijger subiet op en Pers ging tevreden verder met zijn spelletje.
The world is mine, spon hij.