Wraak is een hamster

‘O Don, wat een aanwinst,’ deed ze uitsloverig. Neutraal keek ik haar aan, haalde de magnetron uit de verpakking.
’kijk, de symbooltje zijn  hetzelfde als bij de vorige.’ Beheerst showde ik de knoppen.
’Echt waar? Wat goed zeg,’ overdreven enthousiast, ‘en kan hij ook aan en uit?’ Volmaakt onnozel keek ze me aan.
Ik gaf geen sjoege al kookte ik.
Ze liet mijn gefriemel met tywraps en plakband een volle minuut duren voor ze me een schaar aanreikte. ‘Probeer dit eens, schat.’
’Zo fijn dat je een nieuwe voor me kocht,’ een en al hufterige dankbaarheid.
Mijn weigering adequaat te reageren irriteerde haar, de poezigheid maakte plaats voor chagrijn tot we tenslotte zwijgend naar het apparaat staarden.
Daar stonden we, een koppel in gezamenlijke gemelijkheid.

Tenslotte ruimde ik de verpakking op. Bij het oud papier bleef ik staan, me beradend op de rest van de avond. Afwachten? De confrontatie aangaan en scheiding voorstellen? Dat gunde ik haar niet, te gemakkelijk. Rondkijkend viel mijn oog op de magnetrondoos waarnaast het dierenvoer stond.  Mijn ergernis laaide weer op. Haar liefde voor de goudhamster was bespottelijk, ze vertroetelde het beest, streelde, tipte kleine kusjes, had zelfs een koosnaampje bedacht. Goldie, allejezus wat een armoed.
Opnieuw keek ik.
Er flitste iets in mijn brein.

‘Kook jij vanavond, ik zal laat thuis zijn. En vergeet Goldie niet.’ Geen uitleg, ze vertrok.
Ik handelde een paar zaken af en zette me aan het kokkerellen.
Er was veel te doen. Soep. Salade. Pasta. Vlees.
De draaimolen van Goldie rammelde. Ik aaide hem. ‘Heb je honger, beestje?’ Hij luisterde en snuffelde, ongewend aan mijn gevlei.

Toen ze eindelijk thuis kwam veerde ik op.
‘Hallo. Hmm, ruikt goed.’ Beleefde stemming ditmaal.
’Ik heb wat lekkers gekookt,’antwoordde ik, ‘zal ik het warm maken?’
’Goed, begroet ik Goldie even.’
Ik glimlachte.
En ja. Paniek. ‘Don, Goldie is er niet, heb je hem losgelaten? ‘
‘Ik raak hem nooit aan, dat weet je toch?’
Ze zocht. Onder het zaagsel, meubels, in prullenbakken, potplanten.
Ik riep haar. ’Je eten is warm, kom, zoeken we straks samen.’
Ze at gedachteloos, spuugde een paar botjes uit, mopperde over slechte slagers.
Stond dan weer op en ik hielp mee. ‘Goldie, waar zit je’ riep ik, ‘Gollegollegoldie, kom eens bij de oldie,’ lyrisch van aanstormend genot leidde ik haar langzaam naar het toilet.
Haar ogen werden groot. ‘Je hebt hem doorgespoeld?? Jij..’
‘Nee, dat komt nog.’
Toen viel ze flauw.

 

Advertenties

Zalig zijn de vreetzamen

Er was geen gans, er was geen kip
noch fazant of watersnip
varkens, reeën en kalkoenen
net zo min als negerzoenen
geen van hen vermocht ons boeien
enkel en alleen de koeien
daarvan lustten we een stuk
jamm, het was vur-ruk-kul-luk
zachte boter, groen, patat
of je in de hemel at.
Het was een culinair orkest
dat nog naklinkt in de rest
die we warmen in bouillon.
Daarvoor is de magnetron